Een vervolg van 1.16 Wel van me houden. Niet bij me blijven

Met een sporttas in mijn hand drukte ik op de bel. Hij liet me vijf minuten wachten. Vast expres. Zo was hij. Ik wist dat hij hiervan genoot.

Kurt. Mijn ex-beste vriend. Ik wist niet wat we nu waren. Maar er was nog iets wat ons verbond.

Hij ging na het weekend drie weken op retraite ergens in Nepal. Mediteren en stil zijn in een klooster. Ik mocht op zijn appartement passen, aangezien ik nog steeds niet het geld had om mijn huurbaas af te betalen.

Hij opende de deur van de ingang van het complex en gaf me een hand.

‘De verloren zoon’, zei hij.

‘Bedankt pik.’

Zijn appartement was opvallend minimalistisch. Twee stoelen in de woonkamer. Enkele kussens op de grond. Geen tafel of iets. Wel een aantal planten. En een filmposter van Das boot aan de muur.

‘Waar is je tv?’

‘Je weet hoe journalistiek toch werkt? Positief nieuws is geen nieuws? Alles voor de clicks en de kijkers. Sensatie. Pijn. Honger. Ellende. Rampscenario’s. Het lijkt wel alsof elk bedrijf aandacht wil door met negatieve onderzoeken te komen. Ik wil dat niet meer. Het infecteert mijn mood.’

‘Je hoeft het niet te kijken’, zei ik.

‘Klopt. Daarom geen tv.’

Ik ging op de stoel zitten. Er miste een kussen. M’n kont deed nu al pijn.

‘Gaan we aan de thee of de alcohol?’, vroeg hij toen.

‘Ik ben eerlijk gezegd kapot van werk. Man. Vijf dagen. Niet te doen toch?’, zuchtte ik. ‘Dus doe maar thee.’

‘Verstandig Charlie.’

‘Geen tv dus’, zei ik. ‘Ik heb het altijd iets voor aanstellers gevonden. Geen tv hebben, maar wel elk programma via uitzending gemist terugkijken.’

Kurt zette een fluitketel op het fornuis en zei: ‘Ik had vanochtend toevallig de krant opengeslagen in een boekwinkel. Ik zag waarschuwingen over de kwaliteit van ons zaad. Iets over uitsterven van ijsberen. Een nieuw virus in China waar geen medicijn tegen opgewassen is. Een artikel dat de rijken rijker worden in dit land en dingen als een woning en onderwijs niet meer is weggelegd voor de minder bedeelden. Pessimistische toekomstvoorspellingen die waarschijnlijk niet op zo’n catastrofale schaal uitkomen. En toch consumeren we het met z’n allen dagelijks. Dat maakt ons angstige wezens. Gestreste wezens. Voel jij het dan niet? Die spanning van negatieve berichtgeving?’

‘Ik zie alleen maar seks zonder geslachtsverkeer op tv. Reclame. Programma’s. Seks. Seks. Seks. Te mooie mensen. Te verleidelijke blikken. Dat infecteert mijn brein’, zei ik.

Kurt zette twee mokken op het aanrecht en pakte een theedoos uit een kastje en opende die.

‘Nooit de behoefte om te zeggen: ik stop ermee?’, vroeg hij.

‘Ik kan niet eens bij mijn eigen tv komen’, zei ik. ‘De huisbaas heeft voor mij beslist.’

‘Je geeft je lot graag uit handen.’

De fluitketel begon te blazen. Hij schonk het water in, gooide er wat groene blaadjes in en zette het op een dienblad inclusief chocolaatje. Hij liep met het dienblad terug naar de woonkamer en zette het dienblad op de grond neer tussen ons in.
Hij ging met zijn eigen mok tegenover me in de stoel zitten en keek me bedenkelijk aan met zijn benen over elkaar gevouwen. Alsof hij de psychiater was.

‘Ik heb het gevoel dat ik op het matje moet komen bij je’, zei ik.

‘Wat geeft jou dat gevoel?’

‘Je blik.’

‘Oh nee hoor. Wees lekker jezelf. Niet dat ik wat anders van jou verwacht. Bedoel. Wie doet nou zijn broek naar beneden in de TivoliVredenburg? Dat kan alleen jij doen.’

Ik lachte ongemakkelijk en vouwde ook mijn benen over elkaar en slurpte de eerste slok uit mijn theeglas. Dat was heet.

‘Nou, dan zeg ik het zelf wel’, zei ik. ‘Mijn leven is een puinhoop Kurt. Een puinhoop. Ik heb schulden. Ik kan mijn kamer pas in als ik salaris heb. Ik heb een studieschuld. Ik heb geen idee waar mijn leven naar toe gaat en dat begint me toch wel wat te doen. Het geeft me een benauwd gevoel op de borst. Ik weet zelf even niet meer wie ik wil zijn. Ik maakte me nooit druk om later. Mijn slogan was lange tijd ‘wel gelachen, niet geneukt’. Maar de laatste week voelt het meer als ‘wel geneukt, niet gelachen’. Begrijp je wat ik zeg?’

‘Heel goed zelfs’, zei hij na een lange stilte.

‘Ik maak Yara kapot en zie in haar ogen de worsteling. Ze straalt in alles uit dat ik niet goed voor haar ben. Haar lichaamstaal. De passief-agressieve woorden die ze gebruikt. Maar als ze me zoent en me aanraakt is het volledige passie. Dan is het volledige overgave. Ze wil zo graag dat ik haar iets geef wat ik niet kan geven. Het beste is om uit haar leven te stappen. Maar ik ben ook zwak. Ik heb haar warmte nodig. Haar grapjes. Haar lichaam. Ook al is het voor even. Zij zegt elk keer op tien verschillende manieren: ga weg. Maar laat de deur wel open staan. En ik denk elke keer: ik ga weg. Maar ik open ook weer die deur. Ik weet dat ik de stap moet zetten om haar te beschermen tegen zichzelf. Voor ik een emotioneel wrak van haar maak. Ik weet wat ik doe. Maar op de een of andere manier lukt het me nu niet. Gewoon nu niet. Morgen denk ik elke keer. Morgen. Dan nemen we afscheid. Het lijkt wel alsof ik me niet ellendig wil voelen. Terwijl ik me al ellendig voel. Alleen de comfort in elkaars armen laat ons even dat ellendige gevoel vergeten.’

‘Ik snap je heel goed’, zei Kurt weer na een lange stilte.

‘Zeg eens iets wijs dan.’