Ik wou dat je dood was. Zodat ik je kan vergeven en vergeten.

‘Wat zie je bleek, meisje’, zei mama. ‘Je lijkt wel een lijk.’

Dit was de grap. Ik was de dode geworden, maar ik ademde nog steeds.

Mijn gedachten maken me knettergek: Wat zocht je bij mij? Wat hoopte je te vinden?

‘Stel je niet aan’, was wat mijn mama zo vaak zei. Die zin. Uitgesproken met zo’n typische toon. Die blijft maar door mijn hoofd gaan.

Stel je niet zo aan…

Op een dag zul je het begrijpen, was wat ik toen dacht.
Toen ze het eindelijk begreep, zei ze: ‘Wat verschrikkelijk voor je dat je dat moest meemaken.’

Ik wou dat ze bedoelde: verschrikkelijk dat ik niet heb willen zien wat er aan de hand was.

Haar advies was: ‘Vergeef en vergeet. Je wilt toch niet de beste jaren van je leven opofferen voor iets wat niet bestaat in deze wereld? Gerechtigheid zie je alleen maar in films, meisje. Het leven is bitter, meisje. Zo bitter.’

Verloren en gevonden. Zo vatte je onze ontmoeting samen.
Het begin van ons.
Het enige wat ik kon was geven, geven, geven.
Al mijn liefde en aandacht.
Jij maar lieve woorden terug antwoorden. Hopend dat je kreeg wat je het liefst wilde doen met mij.

‘Het is ingewikkeld’, zei ik nog. ‘Geef me de tijd om me lichamelijk te openen voor je.’

Ik wou dat er alcohol in het spel was.
Of dat mijn rok te kort was.
Ik wou dat ik kon bewegen.
Wat kon zeggen.
Het kon uitschreeuwen.
Je kon krabben.

Verloren en gevonden en opnieuw verdwenen.

Ik wou dat het bij die ene keer bleef.
Er volgden nog drie jaar.

‘Waarom is je oog blauw, meisje?’
‘Een ongelukje’, zei ik, hopend dat ze het zou zien.
Zodat ik het kon zeggen.
Hij mishandelt me.
Hij verkracht me.
Hij misbruikt me.
Hij praat slecht over me.

Toen ik eindelijk het lef had om te zeggen: ‘Hij doet me pijn. Ik wil niet meer.’, zei je: ‘Stel je niet zo aan. Hij heeft een goede baan. Hij is lief. Niemand is perfect. Jullie komen er wel samen uit. Geef het nog een kans.’

Ja.
Genoeg kansen gegeven.
Tot je verdween.
Dat was het erge.
Niet ik stopte ermee.
Maar jij.
Voor een ander.

Maar ik ben opgelucht.
Echt opgelucht.
En onzeker.
Of het zich nog een keer zal herhalen.
Bij een ander.
Zo onzeker…