Ik wil het liefst opgaan in het grote niets. Zoals een suikerklontje langzaam verdwijnt als ik het in mijn hete mok gevuld met rooibosthee gooi. Zoals ik zelf kan verdwijnen als alle lichten doven. En ook de meubelstukken om me heen verdwijnen die ik net nog zag.

Bestaat het? Duisternis? Of hebben ze gelijk en is het een plek met gebrek aan licht?

Besta ik pas als iemand mijn naam weet en hardop uitspreekt? En zal ik voor de tweede keer sterven als iemand voor het laatst mijn naam heeft uitgesproken, ook al ben ik er al lang niet meer?

Ik wil zo graag opgaan in het grote niets, maar er toch nog wel een beetje zijn. Het is me al bijna tien jaar gelukt om online tussen de duizend miljoen andere berichten te bestaan. Weliswaar slechts met mijn woorden. Want niemand weet mijn naam, de contouren van mijn gezicht of mijn leeftijd.

IJdelheid is een aanjager voor succes. De aanjager om iets te maken, te verbeteren en te delen. Een drijfveer om te presteren. Om op te vallen. Om gezien en bewonderd te worden. Om erkend te worden. Bejubeld. Om iets voor te stellen.

Heb je ijdelheid nodig om te krijgen waar je echt naar verlangt? Geld? Liefde? Seks? Beroemde mensen ontmoeten? Je ex jaloers maken? Door camera’s vastgelegd worden? Mensen die alles wat je zegt willen horen?

Ik heb geen ijdelheid in me. Toch wil ik er ook zijn. Opvallen, maar dan anders.

Opvallen als een projectie. Alsof je naar de schaduw van mijn lichaam kijkt, op een muur. Het is maar net hoe het licht staat, hoe groot of klein ik lijk. Het is maar net hoe wijd ik mijn armen spreid.

Vroeger, in de steeg bij mijn huis, met het zonlicht in onze ruggen, ontstonden er schaduwen. Ik probeerde over mijn eigen schaduw te springen. Het buurtgenootje kon wel over mijn schaduw springen. En ik over die van hem. Maar we konden niet over onze eigen schaduw heenstappen. Want dat is het ding: de schaduw is zo verbonden met elke beweging die we maken. Die kan je niet losknippen (behalve Peter Pan).

Zoals de woorden die ik opschrijf zo verbonden zijn met mijn eigen binnenwereld. Maar ik ben het niet helemaal. Maar ze kunnen ook niet zonder elkaar.

Het is niet dat ik niet besta, omdat mijn identiteit verborgen is. Hoewel ik niet gelabeld kan worden op de grootte van mijn neus, de kleur van mijn huid, haar en ogen en er niet een fantasie kan ontstaan met wat mijn uiterlijk uitstraalt. En toch zit ik in vele hoofden, als een fantasie.

Ik ben niet bang voor het oordeel. Alsof ik invloed heb op wat iemand over me denkt. Want het liefst wil ik gewoon verdwijnen: in het grote niets.

Ik weet dat mijn woorden ronddwalen in andermans hoofden. Alsof het weggeblazen is van mijn papier. Zoals mijn lijf ooit uit elkaar gaat vallen en weg zal waaien door de lucht.

Ik zou nooit volledig kunnen voelen wat mijn woorden hebben betekend in iemand anders’ leven. Ook al zou ik het wel willen. Niet eens voor mijn ego. Maar dat idee dat je tijdelijk één kan zijn met iemand.

Ik wil niet op het podium gezet worden. Ik wil niet toegejuicht worden door de menigte. Zoals sporters op podia kunnen staan met een gouden medaille om hun nek. Wat heb je aan een medaille? Je kan het niet eten. Je kan er je huis niet mee verwarmen. En toch willen mensen zo graag winnen. Die ene die heeft gewonnen, daar droomden duizenden anderen van. Waar honderden mensen grote offers in hun leven brachten om ook een kans te maken op een podiumplek. Eén winnaar. Duizenden verliezers. Wat is de eerlijkheid daarvan?

Ik hoop dat al die verliezers wel plezier hebben gehad in alles wat ze gedaan hebben, elke dag weer. Ook al werd het niet beloond met gejuich. Met een camera in je gezicht. Met je naam op een Wikipedia-uitslagenpagina.

Ik heb plezier als ik schrijf. Ik ga op in wat ik doe. Even geen tijd, geen lijf. Geen zelfbesef. Geen bewustzijn. Gewoon schrijven. Opgaan in het grote niets.

En dat elke dag weer.

Zonder einduitslag. Zonder podium waar ik naar verlang met plek een, twee of drie.

Ik ben niet in competitie met anderen. Ik ben in competitie met mezelf.

Het liefst praat ik met een ander mens in het donker. Alleen onze stemmen. Het ongemak van de lijven opgeheven. Alleen woorden om naar te luisteren. Om volledig te horen en te voelen wat de ander bedoelt. Om de volledige aandacht van iemand anders te hebben. Net zoals de liefde bedrijven met de lampen uit pas echt alle zintuigen volledig prikkelt.

De duisternis bestaat. Zelfs in het alledaagse leven. Want waarom schamen we ons dan voor de muziek die we in incognitomodus beluisteren op Spotify? En surfen we op porno in een incognitobrowser? En sluiten we ’s avonds de gordijnen, zodat niemand kan zien wat we doen achter onze ramen?

Ik weet wel wat ik verberg: mezelf. Ik, al vretend met mijn handen, gehuld in onderbroek en sportsokken, al kijkend naar een tekenfilm uit mijn jeugd.

Ik wil niet een image laten zien zoals een popster een image laat zien. De gewoonheid van mijn leven hoeft niet gedeeld te worden. En ook niet gemanipuleerd worden als snapshots van een geweldig bestaan.

Het is ruis. Ik wil de lichte kant en de donkere kant het liefst opheffen. Door op te gaan in het niets.

Wat ik laat zien, is een schaduw van mijn innerlijk. Een compositie. Waar, als ik het naar buiten breng, het licht op valt. Omdat ik niet anders kan. Omdat de zon niet anders kan dan schaduwen creëren op plekken waar het licht niet bij mag komen.

Zwart. Is dat het grote niets? Het slurpt alle zonnestralen op. Waar de kleur wit juist al het licht terugstuurt. Wit zijn alle kleuren bij elkaar. Zwart heeft geen kleur.

Wat ik teruggeef uit de krochten van mijn ziel, is niet zwart. Ook niet wit.

Het is grijs.

Grijs is weliswaar onopvallend. Maar grijs werkt ook kalmerend. Grijs is wat de aarde uitspuwt bij een vulkaanuitbarsting. Grijs is de vacht van beesten die op willen gaan in hun omgeving als camouflage.

Grijs is het grote niets, terwijl je er nog wel bent.

Zoals je de suiker kan proeven in de thee, zonder het te zien.

Grijs.

Wist je dat onze hersenen grijs kleuren als we de laatste adem hebben uitgeblazen?

Het scheelt dat ik me hartstikke levend voel. Je hebt niet eens zwart en wit nodig om grijs te creëren. Je kan grijs met bijna alle tegengestelde kleuren maken.

Grijs is het grote niets. Een schaduwspel van mijn innerlijke wereld die wordt aanschouwd in een buitenwereld. Vaak als dwaallicht. Soms met een volledige spotlight. Soms slechts door een klein lampje dat jouw ogen voorstellen.

Deze tekst is als e-mail op 17 maart 2021 gedeeld als onderdeel van de woensdage-mail.