Het overkwam me.
Zoals een tsunami het landschap kan overvallen.
Een hevige verliefdheid, die ik al sinds mijn basisschooltijd niet meer had gevoeld.
Ditmaal gepaard met een intensiteit in mijn hele lijf.
Overgevoelige armen, overgevoelige buik, overgevoelige erogene zones.
Ik liep als een soort mummy rond, om huid-op-huidcontact met vergeetbare mensen te voorkomen.
Anders stond ik niet in voor de gevolgen.

Alleen omdat jij aan de overkant van het busstation verscheen.
Elke werkdag weer, stipt om 6.25 uur kwam je aangewandeld.
Kijkend of ik je zag.

Als twee exoten bij een bushalte hadden we ons eigen universum gecreëerd. Kijken, lachen, wegkijken, lachen.

In het diepste van mijn ziel wilde ik dat je over zou steken. Dat je me zou aanspreken. Zodat er een gesprek kon beginnen dat pas bij de dood zou eindigen. Tegelijkertijd wilde ik niet dat je de overkant zou bereiken.

Dan zou het perfecte bestaan tussen ons afbrokkelen.

Verwachtingen.
Teleurstellingen.
Zo eindigen al mijn gepassioneerde relaties.
Omdat perfectie niet bestaat.

Mensen praten graag met me over hun relatieproblemen.
Niemand is echt gelukkig.
We vergeten de aantrekkingskracht van de ander.
We sussen ons in slaap met praktische argumenten.
Het vermoordt de vlam.
Elk gesprek heeft dezelfde climax: Ik voel me onbemind en ongezien.

Maar wij niet, vreemdeling.
Wij niet.
Wij hebben de belofte van ‘Wat als…?’

Elke ochtend weer trakteerde ik je op een glimlach.
Elke ochtend weer had ik mijn jas opengezet, zelfs als het vroor.
Zodat je kon zien wat ik voor je had aangetrokken.

Ik houd meer van de begeerte dan de vervulling.
Ik vermoed jij ook.

Wat nou als ik oversteek? Alleen deze gedachte al laat mijn knieën knikken. Een fantasie die nooit verveelt.

De intimiteit van ons oogcontact.

De oneindige eenzaamheid die tussen 6.25 uur en 6.35 uur even op pauze was gezet.

Jouw bus kwam eerder dan die van mij.

Elke ochtend weer keek ik je na.
En die ene keer dat jouw bus vertraging had, keek je mij na.
Ik ging namelijk achterin zitten om het te controleren.
Je keek mij na.

Ik begon onwillekeurig te giechelen. Zo hard dat mensen naar me keken. Het stopte pas toen de bus de hoek omsloeg.

Die dag leek alles perfect.
Ik had een sensuele gloed over me heen.
Ik zag anderen vaker naar me kijken dan gebruikelijk was.
Verliefd op het idee van jij en ik.

Ik raakte verslaafd aan dit gevoel van verlangen zonder hoogtepunt. Ik hoefde ’s avonds in bed niet eens echt mijn best te doen om te komen.

Warme gedachten over hoe je mij zou koesteren.
Verhitte fantasieën over samensmelting van onze zielen.

Ik verlang niet naar eenvoud.
Wanhopigheid is niet een term die bij me past.
Ik hoef het leven niet te leven.
Verliefd zijn op het idee houdt me in leven.
Dat seksueel verlangen houdt me op de been.
Ik kan jarenlang leven op de fantasie van jij en ik.

Het mag me niet ontvallen.

Het water mag niet terugkeren naar waar het hoort te zijn.

Je kan niet van het leven verwachten dat het je alleen maar mooie gevoelens geeft.
Maar in mijn hoofd wel.
Daar is alles toegestaan.

Ik was niet teleurgesteld toen ik je daar moest achterlaten.

Een ander huis, op een andere plek in de stad, met een andere bushalte.

Elke ochtend weer dacht ik aan wat jij zou denken:

‘Waar ben je naartoe?’

In jouw ogen ben ik volmaakt.
In mijn ogen blijf jij volmaakt.
Tot in den eeuwigheid.

Deze tekst komt uit mijn vijfdaagse e-mail. Ontvang ook dagelijks een tekst van tomson darko over de melancholie van het leven.