Als een vreemdeling voor je zit, bestaat er geen verleden, niet eens een toekomst. Slechts nu. Twee zielen, die de afgelopen twintig jaar niet in elkaars hoofd hebben bestaan. Maar als het gesprek begint, voelt het net alsof de vreemdeling er altijd al geweest is. Alsof dit weer een herstart is van een al eeuwigdurend gesprek. Een eeuwigdurende band.

Mensen verlangen naar ware liefde. In de vorm van een verbintenis. Een afspraak. Jij en ik, voor altijd en eeuwig (zes keer achter elkaar uitgesproken). Zoals in dat liedje van Het Goede Doel, over Sinterklaas (wie kent hem niet).

Maar weet je wat het met liefde is? Passies doven uit. Verlangens doven uit. Hoe mooi en intens en vreugdevol het begon. Het dooft, langzaam, als een stervende zon. In tien jaar of misschien pas over dertig of veertig jaar. Het dooft.

We vergeten hoe het voelde toen het begon. Waar we samen over droomden en wat we wilden. Dat is de tragiek. Dan heb je samen bereikt wat je graag wilde en opeens voel je je leeg, een beetje doelloos, wat onbegrepen en verveeld. Dan denk je na over sleur en of dit nog wel is wat je wil. Dan is het leven opeens uitzichtloos en ellendig geworden.

Onze hoofden zijn niet goed in dankbaar zijn voor wat we hebben. Ze zijn als die oude koningen en koningen van vroeger. Ze hebben binnen hun grenzen een land met bergen en rivieren. Grote steden en kleine dorpjes. Kastelen en landhuizen. Maar toch kunnen ze het gevoel niet laten rusten dat de buren iets hebben wat zij niet hebben. En ze zijn bereid om duizenden soldatenlevens op te offeren en dorpen en steden in brand te zetten. Om dat te krijgen wat ze blijkbaar nog missen…

Nooit genoeg…

We hebben te hoge verwachtingen voor die ene. We lenen onszelf uit, in de hoop dat de ander het volledig terugbetaalt met een hoop rente. Dat het meer wordt dan het was. Maar zelfs als de lening wordt terugbetaald in het korte leven van ons, dan voelt het nog net zo aan als de dag voordat je eraan begon.

Maar jij, vreemdeling. Wij hebben (nog) geen verwachtingen van elkaar. Laten we dat vooral zo vasthouden. Geen verlangen om elkaar te bezitten en exclusiviteit af te dwingen. Niet eens een begeerte om elkaar fysiek te bevredigen. We willen slechts elkaars zielen kietelen.

Het enige wat we hebben, is onze tijd, die we nu aan elkaar geven. En misschien, als de avond voorbij is, kunnen we elkaar blijven opzoeken in de toekomst en onderwerpen blijven bespreken. Over toen en nu. Over politiek en poëzie. Over twijfels en successen. Over kwetsbaarheid en geheime krachten.

Beste vreemdeling. Je bent niet mijn therapeut. Niet mijn aanstaande ex. Niet mijn broeder van een andere moeder. Niet eens een muze. Jij bent jij. En ik ben ik. En nu zijn we heel even samen. Alsof het nooit anders is geweest.

Vriendschappen zijn polygaam. Er zit geen limiet op. Er is altijd plek voor eentje extra. Ik hoop dat jij ook een plekje voor mij hebt.

Het enige wat ik wil, is af en toe je warmte en je aandacht. Je aanwezigheid. En ik hoop dat ik er voor jou mag zijn. Als het leven even niet meer eerlijk voor je is. Dan kunnen we samen de oneerlijkheid ondergaan.

Als de hemel bestaat, hoop ik dat dat een plek is waar je familie niet bestaat uit die mensen met wie je een DNA-code gemeen hebt. Maar dat het de genetica van de ziel is die overeenkomt met de ander. Dat die je familie mag zijn. Misschien zie ik je daar weer, vreemdeling.

Maar voor ik je een fijne nacht wens, hoop ik toch dat ik niet zo lang hoef te wachten voor ik je weer spreek.

Een fijne nacht.

Deze tekst is als e-mail op 24 februari 2021 verstuurd als onderdeel van de woensdage-mail.