We raakten elkaars handen aan vannacht.
Per ongeluk.
In bed. Om half drie.

We lopen al weken langs elkaar heen in dit huis, zonder dat ook maar een zenuw de ander even voelt.
Behalve na ruzie nummer zoveel.

Waar we elkaars spijtbetuigingen zo wantrouwen, dat we het slechts tijdelijk kunnen repareren met seks.

Waar niet gepraat wordt. Slechts gevoeld.
Waar niet gezoend wordt. Slechts geknepen en geslagen.

Toen jouw vingers de rug van mijn hand voelden, raakten ze in elkaar verstrengeld.
Jij kneep. Ik kneep.
Ik streelde met mijn wijsvinger de binnenkant van je hand.
Je kneep twee maal. Zacht.

Wat had ons wakker gemaakt vannacht?
Welke gedachten gingen er in jou om?
Als ik nu zou praten, zou dit moment weer voorbij zijn.
Ik wil je zo graag zoenen.
Maar ik ben bang voor de afwijzing.
Gemompel met de zin: ‘Morgen werken, ik moet slapen.’

Je wijst steeds vaker mijn lippen af als ik thuiskom en ‘Hoi’ zeg.

Wat houdt je nog hier?
Waarom stap je nog dit bed in?
Wat houdt je nog bij mij?

Nu zijn we even verbonden.
Zwijgend.
Wakker.
Het is goed zoals het nu is.
Geen zinloos argument. Geen geschreeuw.
Duisternis en stilte.
De warmte en de kneep.

Deze tekst komt uit mijn vijfdaagse e-mail. Ontvang ook dagelijks een tekst van tomson darko over de melancholie van het leven.