Vorig jaar op ΔLost–boyz–fest belandde mijn lul aan het eind van de avond tussen twee grote borsten. Geen idee hoe die daar was beland en ook geen idee of ik op of in haar was klaargekomen.

Het was in ieder geval niet dé reden dat ik mijn studiejaar niet had afgemaakt. Het was wel een typisch voorbeeld van waarom het me niet gelukt was.

Ik probeerde het mijn vader nog uit te leggen door te zeggen dat ik last had van de FOMO–ziekte.

Er was ook zoveel te missen. Dat was mentaal lijden. Het leidde zo af. Ik hoopte echt dat hij dat begreep. Ik kon veel beter wel naar al die plekken toe gaan, dan thuis in bed kapot gaan van het idee dat ik een nietszeggend bestaan had waar mensen over vier jaar mijn naam en gezicht zouden vergeten.

Het punt was niet zo zeer de feestjes, festivalletjes, verjaardagen, borrels, eetdates, hospiteeravonden, filmmarathons, avondjes Kolonisten–van–Catannen, whisky drinken en plaatjes–draaien en weet ik veel wat.

Maar het punt was dat op al die plekken een drankje met een schuimkraag werd geschonken. Daardoor kreeg ik een soort destructieve drang naar hoofdpijn, een schorre stem, buikpijn, kots en diarree.

Dat maakte studeren praktisch gezien onmogelijk. Bovendien waren er op al die niet te missen plekken een hoop vrouwen.

Ik praatte graag met ze. Op zoek naar een spirituele connectie. Ik zou nu ook graag willen zeggen dat ik een verschrikkelijke niet te negeren drang had om mijn geslachtsdeel tegen vrouwenlichamen aan te schuren en m’n lul in zoveel mogelijk gaten te douwen. Maar ik was meer een The Smiths – How soon is now–type. Altijd al geweest.

There’s a club if you’d like to go. You could meet somebody who really loves you. So you go and you stand on your own. And you leave on your own. And you go home and you cry. And you want to die.
– The Smiths

Ik werd in de puberteit al verliefd op een meisje als we voor het eerst oogcontact hadden. Dat wat toen in mijn lichaam gebeurde, was ondraaglijk.

Dingen kwamen heel raar uit mijn mond, mijn gezicht liep op de raarste momenten rood aan en elk gemeend compliment werd als een belediging opgevat.

Nee. Ik kon me beter bezighouden met drank en proberen in die toestand zoveel mogelijk herinneringen te verzamelen. Al was dat wel een paradox. Want mijn geheugen ging achteruit door al dat gezuip. Ik vergat soms zelfs mijn eigen leeftijd en blufte al aarzelend een getal als iemand ernaar vroeg.

Misschien was mijn drang naar herinneringen verzamelen ook wel de reden waarom dit zo hard aankwam. Na haar was niets meer een herinneringswaardige ervaring. Niets.

No one wins. One side just loses more slowly.
– Pryzbylewski, The Wire

M’n vader noemde me een aansteller. Waarschijnlijk was geen enkele reden goed genoeg voor hem om na negen maanden ook met mijn tweede studie te stoppen.

Hij maakte zich vooral druk om zijn geld. Meer om dat dan om mijn geestelijk welzijn. Alsof ik persoonlijk de Dom was opgeklommen en vanaf 112 meter hoogte al zijn geld naar de stad strooide en ‘hou van me, hou alsjeblieft van me’ schreeuwde.

Hij zei tegen mij, toen z’n onredelijkheid op een hoogtepunt kwam, dat hij achteraf gezien het geld liever aan een aantal kansarme jongeren uit Kanaleneiland had gegeven dan aan mij.

Omdat zij, dankzij zo’n studie, van deze wereld wel een betere plek gemaakt zouden hebben. Ik kon alleen maar sputterend en blazend antwoord geven. Maar misschien had hij wel gelijk. Ik wist bij God niet waarom ik op aarde was gekomen.

Hij vroeg nog, nadat de redelijkheid weer terug was gekomen, hoe ze eigenlijk heette. Met zo’n ondertoon…

Ik weigerde haar naam in zijn bijzijn te zeggen. Want mijn vader had in zijn leven mijn gevoelens nog nooit serieus genomen. Ik kon haar naam sowieso niet eens meer als een normaal mens uitspreken, zonder dat mijn handen begonnen te shaken, ik me duizelig begon te voelen en mijn oksels drijf– en drijfnat werden.

Ik was aan het afkicken. Als een junk in een slechte Hollywoodfilm. Al hallucinerend en zwetend zag ik baby’s over het plafond kruipen en dat soort dingen. Wekenlang.

Choose a life.
– Irvin Welsh

Ik probeerde mijn vader nog uit te leggen dat mijn gevoelens voor haar vergelijkbaar waren met een cocaïneverslaving, een depressie en de griep. Breintechnisch gezien dan. Maar hij lachte me uit en zei dat ik het nog zwaar ging krijgen in dit leven.

Hij zei zelfs: ‘Ach jongen. Welkom in de echte wereld. Een plek vol mislukte dromen, mislukte liefdes en mislukte ambities. Get used to it.’

Tja. Mijn vader, altijd al een inspirerend en motiverend voorbeeld voor me geweest.

Zelfs Jonas, mijn beste vriend, nam me niet meer serieus. Hij zei dingen als ‘we worden verliefd op de aandacht die we krijgen’ en ‘we hebben allemaal een diep verlangen in ons om naar verlangd te worden.’

Liefde was een egoïstische bedoeling en dat uitzichtloze gevoel wat me al weken achtervolgde, ging niet over haar of over onze relatie, maar eigenlijk over mezelf.

Welk gemis compenseerde zij diep in mij, waardoor ik me minder alleen voelde?

Als ik deze vraag kon beantwoorden, was ik officieel klaar voor de volgende chick en zou ik automatisch de vorige vergeten. Althans, dat was zijn theorie: de Jonas–theorie. De gast die kampioen was in relaties met vrouwen ingewikkeld maken door vooral in het midden te laten of het nou wel of niet iets was.

Hij trok wel een duidelijke lijn: ouders ontmoeten, te veel dagen bij elkaar blijven plakken en zaken als opruimen en stofzuigen bespreken, werden vermeden, en als het toch gebeurde of ter sprake kwam, leverde het een permaban uit zijn telefoon op.

Ja. Zo was hij. Het gekke was, hoe harder hij de meiden begon te negeren, hoe meer ze naar hem verlangden.

Dit afstandelijke gedrag vertoonde hij alleen maar omdat zijn vriendinnetje in de brugklas hem na drie jaar zo hard en onpersoonlijk via Msn–messenger dumpte, dat hij dat gevoel nooit en te nimmer meer opnieuw wilde ervaren.

Zero risk bias–boy noemde ik hem weleens gekscherend. Al was hij te stom om te vragen wat ik daarmee bedoelde.

Aangezien ik geen studie en geen vrouw meer had, besloot ik mijn dagen thuis bij mijn vader door te brengen. Stofvrij, overal in huis drie streepjes wifi en digitale televisie op een 4K–scherm.

Hoewel hij elke ochtend tegen me zei: ‘Goed dat je er bent’, merkte ik aan de blikken die hij me dagelijks gaf, dat hij iets anders bedoelde.

Mijn gehang op de bank, op het toilet, achter het bureau en in bed, starend naar een scherm, naar altijd een en dezelfde specifieke app genaamd Netflix, ergerde hem behoorlijk.

Ook kon hij mijn treurige uitgesproken quotes die ik al ijsberend door de woonkamer uitsprak als: ‘some day we will all die Snoopy. –True. But on all the other days we will not.’ en ‘Say Clyde, do you like fishssticks? Do you like to put fishssticks in your mouth? What are you, Clyde? A gay fish?’ totaal niet waarderen.

Hij werd er zo gek van, dat hij voorstelde of het niet beter was dat ik even een paar dagen naar Utrecht ging om te kijken of alles nog oké was met mijn kamertje.

Waarna ik zei dat ik juist hier was om geld te besparen (en om naar die nieuwe tieten van zijn nieuwe vriendin te staren, maar dat zei ik nooit hardop).

Waarna hij al zuchtend en kreunend een voorstel deed om mijn maandelijkse toelage tijdelijk te verhogen en ik op een extreem treurige Iejoor–toon zei: ‘oké’ en vervolgens naar Utrecht vertrok en niet meer terug naar huis durfde te gaan.

Zo zat ik opgesloten in mijn eigen studentenkamer. Te denken aan haar...

The nicest thing about the rain is that it always stops. Eventually.
– Iejoor, Winnie de Poeh

Dezelfde beelden kwamen als een soort van dia’s terug in mijn hoofd. Met dat geluid van een blazende projector erbij. Net zoals ik onze gesprekken als een soort cassettebandje liet afspelen in m’n geheugen als ik onder de douche stond. Dagenlang.

Ik ging soms in mijn kamer op dezelfde plek zitten als toen. Dan keek ik naar de plek waar zij stond en probeerde me in te beelden hoe de avond zou verlopen als ze hier weer zou zijn. In haar ondergoed. In mijn trui. Leunend uit het raam.

Camel blauw rokend. Oscar and the Wolf uit haar telefoon. Af en toe een ondeugende blik naar mij toe zonder een woord te zeggen.

And I take good care of you. But you’re heartless, you’re heartless.
– Oscar and the Wolf

Wij hadden geen woorden nodig om in dezelfde ruimte te ademen. Wij konden in elkaars ogen kijken zonder ongemakkelijk te worden over de stand van onze handen.

Al moest ik wel zeggen: mijn leven met haar – herstel – mijn korte leven met haar, was een uit de hand gelopen achtbaan gebouwd in het spel Rollercoaster Tycoon, waar iedere passagier al kotsend uit kwam lopen en de enige manier om de paden goed schoon te houden, was door het pad te verwijderen en opnieuw aan te leggen.

Hoe kon mijn vader zeggen dat ik haar gewoon moest vergeten? Hoe kon ik me nou over zo’n vrouw heen zetten? Hoezo moest ik maar gewoon accepteren dat op deze wereld sowieso nog drie komma zeven miljard vrouwen rondliepen en het een plek vol mislukte dromen, mislukte liefdes en mislukte ambities was?

Toch deed ik mijn best. Echt. Om zijn tips op te volgen en haar gewoon achter me te laten.

Ik probeerde het de eerste week bijvoorbeeld weg te slapen. Meer dan 14 uur per dag lag ik in bed. Ik was er namelijk van overtuigd dat mijn leven niet verder uit elkaar kon vallen als ik lag te tukken.

Het stond op een jpg–plaatje op mijn Pinterest tijdlijn geschreven met Ernest Hemingway als afzender in de caption.

I love sleep. My life has the tendency to fall apart when I’m awake, you know?
– Ernest Hemingway

In week twee gooide ik elk object in mijn kamer dat me aan haar hielp herinneren in een vuilniszak en borg die op in de kelder. Ik wiste op mijn telefoon elke selfie die we samen hadden genomen.

Maar ze was erger dan eenmalig Zalando.com te bezoeken om vervolgens dagenlang achtervolgd te worden op het internet met al die producten die je eventjes had bekeken.Ik kon niet eens normaal meer door Utrecht wandelen.

Het was een marteling geworden. Elk stukje steen waar mijn oog op viel, werd gekoppeld aan haar. Alsof deze hele stad alleen uit de grond was gestampt om als decor voor ons leven te dienen.

Bijvoorbeeld theatercafé Bastaard, waar we in de achtertuin mijn sigaretten deelden en dronken werden van diverse tapbiertjes. Of de steeg om de hoek bij Springhaver, waar mijn schoenveter brak en zij dit probeerde te herstellen met een haarelastiekje.

Of het pleintje achter de Dom, wat een soort stilleven was uit de vijftiende eeuw waar bijna geen fietser of auto kwam, waar we tegen de stenen van de kerk aan een uur lang hadden gezoend en ik met mijn handen alles rondom haar bh had verkend.

Of Ledig erf, waar we aan de rand van de kade een fles goedkope witte wijn opzopen tot we lam en hongerig en melig waren.

Als ik langs deze plekken liep, viel er een soort deken van treurigheid en gemis over me heen.

Geen melancholie, wat nog iets romantisch in zich had. Geen nostalgie. Zelfs geen depressiviteit. Nee. Een totaal gevoel van de zinloosheid van al die mooie momenten. Dat het verzamelen van herinneringen tot niks had geleid. Het had net zo goed niet kunnen gebeuren. Als een soort wiskundige vergelijking waar het resultaat altijd hetzelfde was.

In de derde week trok ik het niet meer. Ik wilde dat het stopte. Ik zette het op een zuipen. Alleen. Om mezelf te verdoven. Om het te vergeten. Met Johnny Walker in mijn glas en Neil Young – Cortez the Killer vanuit mijn laptop op repeat. Het hielp niet. Het versterkte juist mijn gevoel.

Hate was just a legend. And war was never known. The people worked together. And they lifted many stones.
– Neil Young

Ik kreeg last van ideeën als een livestream starten op YouTube waar één miljoen mensen me zagen stikken in een te goedkope pinda van de AH en niemand die op het idee kwam om 112 of 113 te bellen.

I died a week ago. There’s nothing left. It’s caught on video. The very last breath.
– Sohn

Zelfs m’n onderbewustzijn wilde me in mijn dromen wat duidelijk maken. Ik werd nachtenlang achtervolgd door een grote gezichtloze man met rode ogen en elke keer als hij me zag, lukte het me niet om weg te duiken, weg te rennen of me om te draaien. Alsof mijn armen en benen van klei waren.

De wallen onder mijn ogen werden zwarter en zwarter. Mijn dagen in bed langer en langer. Ik kon op onwillekeurige momenten in huilen uitbarsten. Ik had de puf niet meer om met vrienden bier te drinken. Ik had geen zin meer om naar Pathé te gaan, als er sites als The Pirate Bay bestonden. Zelfs het roken van een joint liet de diaprojector in mijn hoofd maar niet stoppen.

Ik werd overvallen door de gedachte dat als zij gisteren gestorven was, ik het pas weken later een keer van iemand te horen zou krijgen. Dat idee verstikte me zo, dat ik haar online begon op te zoeken. Kijken wat ze aan het doen was. Om zeker te weten dat ze nog ademde.

En het gekke was... Toen ik dat begon te doen – grofweg gezegd een paar keer per uur – stopten de nachtmerries en de spontane huilbuien. Zelfs dat uitzichtloze gevoel wat ik in me had, verdween naar de achtergrond.

Haar updates. Haar selfies. Haar berichtjes. Het was rustgevend om hiernaar te kijken. Het was beter dan welke mindfulness–oefening dan ook. Ik begon zelfs namasté te zeggen als ik opgelucht mijn rondje langs haar social media–accounts had gemaakt. Ik wist vanaf dat moment: ik wilde haar niet vergeten, ik ging me hier niet overheen zetten. Ze had een gekke uitwerking op me. En ik hield ervan.

You’ve got this strange effect on me, and I like it.
– Dave Berry

Het nieuwe boek  van Tomson Darko ZE VOLGT ME NIET TERUG verschijnt op 1 november. Pre-sale: 1 oktober. Alleen verkrijgbaar via de psychokiller-shop.

Eerder verschenen als boek: