De gewoonheid van het leven. De routine van 9 tot 5 om het dragelijk te houden. Het fantaseren over nog meer zekerheid op de bankrekening.

Hopelijk doen de kinderen het goed, blijven ze gezond, worden ze wijs en gelukkig.

Het jaarlijkse oogstfeest als het vaste hoogtepunt van het jaar: iedereen die ik ken is daar, uitbundiger en vrolijker dan normaal.

Geld dat wordt uitgegeven alsof het snoepjes zijn. Meeschreeuwen met een bandje dat muziek speelt uit onze tijd.

De kermis overdag als vermaak voor de kleinen.

Dit is mijn leven en dit is mijn familie.

In de gewoonheid zit mijn ware geluk.

Aankomend cursusjaar een nieuwe opleiding volgen via mijn werk.

Wellicht levert die me een promotie op. Het geeft me in ieder geval een intellectuele uitdaging.

Maar nu, op het oogstfeest doe ik alsof de gewoonheid niet bestaat.

Dan rook ik peuken als een ketter.

Dan zuip ik als iemand rijp voor de AA.

En ik flirt met anderen die niet dezelfde achternaam als ik dragen.

Ik houd van mijn dieselgrasmaaier, mijn gordijnen die met één druk op de knop open en dicht gaan. Ik hou van mijn oprit en opgeruimde garage.

Dus toen mijn echtgenote aangeschoten naar huis ging om de oppas af te lossen terwijl ik nog maar eens een rondje haalde en die ene aansprak die al het hele weekend naar me zat te kijken, was het enige wat ik dacht: wat ben ik toch blij dat ik besta.

Het was maar een kus. Op een plek waar niemand hoorde te komen of ons kon zien.