Heb je wel eens gehoord van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgard?

Hij heeft in twee jaar tijd zes boeken over zijn eigen leven geschreven.

Zes! Je zou denken: is hij zo bekend dan?

Nou, hij is pas echt bekend geworden in Noorwegen (en daarbuiten) nadat hij die zes boeken had geschreven.

Was zijn leven zo groots en meeslepend dan?

Nou. Ook niet echt.

Maar wat hij doet, is zijn gevoelens in detail opschrijven en dat levert een eerlijkheid op, waarmee die heel bijzonder wordt.

Van die gedachten die je eigenlijk niet hoort te denken of uit te spreken, maar hij doet het.

“Mijn vader is dood en ik denk aan het geld dat ik daardoor krijg. En wat dan nog? Ik denk wat ik denk, ik kan er niets aan doen dat ik dat denk, toch?”

Het enige wat Karl Ove wil in zijn leven is schrijven.

Schrijven. Schrijven. Schrijven.

De rest is bijzaak.

De relatie met zijn vrouw. Zijn vrienden.

Zelfs zijn drie jonge kinderen.

“Geluk is niet mijn doel, dat is het nooit geweest, wat moet ik ermee? Ook mijn gezin is niet mijn doel. Was dat wel het geval en had ik al mijn tijd en kracht daaraan kunnen besteden, dan zouden we het fantastisch hebben, daar ben ik van overtuigd.

Dan zouden we ergens in Noorwegen kunnen wonen, ’s winters skiën of schaatsen met een lunchpakket en een thermosfles in de rugzak, er ’s zomers op uit gaan met de boot, zwemmen, vissen, kamperen, samen met andere gezinnen met kinderen op vakantie gaan naar het buitenland, thuis alles in orde hebben, tijd besteden aan goed koken, tijd met vrienden doorbrengen, vrolijk en gelukkig.

O, het klinkt als een karikatuur, maar ik zie elke dag gezinnen die het leven met kinderen op die manier meesteren. De kinderen zien er netjes uit, ze dragen mooie kleren, de ouders zijn opgewekt en als ze hun stemmen zo nu en dan al verheffen, staan ze nooit als idioten naar hen te schreeuwen. Ze maken uitstapjes in het weekend, huren een huisje in Normandië in de zomer en hun koelkast is nooit leeg.

Ze werken bij een bank of in een ziekenhuis, bij een IT-bedrijf of bij de gemeentelijke administratie, bij de schouwburg of aan de universiteit. Waarom moet het feit dat ik schrijf me van die wereld buitensluiten?”

Een stukje verder schrijft hij:

“Ik heb geen idee waar dat ideaal vandaan komt en nu ik het zwart-op-wit voor me zie, heeft het bijna iets pervers: waarom plicht boven geluk? De vraag naar geluk is banaal, maar dat is de vraag die erop volgt niet: die naar zingeving. Ik krijg tranen in mijn ogen als ik een mooi schilderij zie, maar niet als ik mijn kinderen zie. Dat betekent niet dat ik niet van ze hou, want dat doe ik wel, met heel mijn hart, het betekent alleen dat de zin die zij het leven geven, het niet kan vullen. In elk geval het mijne…”

In het eerste boek Vader blikt hij terug op de moeizame relatie die hij met zijn vader had.

Die man was afstandelijk, gemeen en heel hard.

Karl vraagt zich af of hij ook zo is naar zijn eigen kinderen. Want hij staat regelmatig tegen ze te schreeuwen, bijvoorbeeld als de dochter weigert in beweging te komen.

Karl schaamt zich bijna altijd voor zichzelf.

“Ik zeg nooit wat ik eigenlijk denk, nooit wat ik eigenlijk vind, maar pas me altijd in hoge mate aan aan degene met wie ik wanneer ook maar praat, doe alsof wat de mensen zeggen me interesseert; behalve als ik drink, dan sla ik meestal door naar de andere kant, om wakker te worden met de angst dat ik te ver ben gegaan, een angst die met de jaren alleen maar erger is geworden en intussen zelfs weken kan duren.

Bovendien heb ik black-outs als ik drink en ik verlies volledig de controle over mijn handelingen, die meestal iets desperaats en belachelijks krijgen, maar soms iets desperaats en gevaarlijks.

Daarom drink ik niet meer. Ik wil niet dat iemand tot me doordringt, ik wil niet dat iemand me ziet, en zo is het intussen ook: niemand dringt tot me door, niemand ziet me.

Dat moet zijn sporen hebben nagelaten in mijn gezicht, dat moet het zo star en maskerachtig maken, bijna onmogelijk om met mezelf in verband te brengen als ik het in een etalage op straat toevallig tegenkom.”

De schrijfstijl is bijzonder.

Hij gaat soms volledig op in details.

Zo speelt een gedeelte van het boek zich af in het huis van oma, waar zijn vader in is gestorven (op een vrij lugubere manier).

Observaties van hoe zijn oma probeert om hem en zijn broer te bewegen tot het nuttigen van alcohol, zodat ze zelf alcohol kan drinken.

Aangevuld met flashbacks naar de jeugd.

Karl omschrijft zelfs welke schoonmaakmiddelen hij gebruikt, van welk merk en waar gekocht.

Jup.