Je praat in ‘wouden’ in plaats van willen.
Je zegt ‘me’ als je ‘mijn’ bedoelt.
Je begint elke zin met IK.
Je projecteert je eigen onzekerheid op anderen: zij is dik geworden, hij is dom, zij zijn seniel.

Het is zo aantrekkelijk... Je imperfectie.

Met dichtgeknepen ogen de letters bestuderen op je telefoon.
Met de achterkant van je hand je neus schoonvegen.
Met het puntje van je tong je wijsvinger nat maken zonder duidelijke reden.
Hoe je je lange haren achter je oren schuift en je er dan bewust van wordt dat het je flaporen zichtbaar maakt, waardoor je je haren weer als een gordijn voor je oren sluit. Je mond iets open doen omdat je wat wil zeggen, maar je de woorden nog niet gevormd hebt in je hoofd en je daarom je mond weer sluit.

Je weet zelf niet hoe aantrekkelijk je bent.

Je pleegde een moord op mijn hart.

‘Ik ben op je uitgekeken’, was wat je letterlijk zei.

Ik lachte hard, omdat ik dacht dat het je humor was. Dat je het niet meende.

Toen stak je het mes er nog verder in: ‘Je bent zo ambitieloos. Het maakt me misselijk hoe jij andere mensen naar de mond praat.’

Ik wou dat het een perfecte moord was. Dan kon ik je vergeten.

Een jaar verder en ik lig nog steeds wakker van je beschuldigingen.

‘Je bent zo ambitieloos.’

Ik wil elke dag met je bellen, tegen je schreeuwen en je liefkozen. Ik wil 24/7 contact met je, ondanks dat je me een contactverbod hebt gegeven. Ondanks dat je beste vriend voor mijn deur stond om dat nog eens te benadrukken.

Ik zag je op het nieuws.
Het was moeilijk te geloven dat ze het over jou hadden.
Ook al noemden ze je met voornaam en de eerste letter van je achternaam.
Ook al was het balkje voor je ogen groot.
Ik herkende je meteen.

Een moordenaar.
Dat ben je nu geworden.
Al heb ik het altijd al geweten.

Jouw woorden zijn wapens. Je hebt mijn eigenwaarde ermee vermoord.

Ik heb je een brief gestuurd.
Je antwoordde.
Dat ik een van de weinigen was die nog aan je dacht.
Je schreef ‘ik wordt’ en je had het over pervectie.
Je dyslexie is zo aantrekkelijk.

Ik wil met je trouwen.
Jij ook met mij, zei je.
Als je weer op vrije voeten bent.
Ik maak alvast plek in mijn kast.
Slechts 18 jaar wachten.