Vervolg van 1.6 Ik weet een plek waar niemand ons kan zien

Toen ik vroeger bij opa en oma ging logeren, kon ik voor mijn gevoel in bed uren staren naar het plafond en de gordijnen en de stapels met boeken die op de logeerkamer lagen. Wachtend op de tijd tot ik uit bed mocht

In bed alle details op me nemen. De woorden proberen te begrijpen die op de kaften van de opgestapelde boeken en tijdschriften stonden.

Wat was er met deze tijdsbesteding gebeurd? Als ik nu wakker werd zat ik binnen twee minuten op mijn telefoon te checken wat de tijd was, hoe ik had geslapen en wie met mij in contact wilde komen.

Ik zag de wereld om me heen niet meer. Ik zat of opgesloten in mijn eigen gedachten of ik projecteerde mijn aandacht volledig op een schermpje met scrollen door informatie, video’s en memes.

Ik vroeg me af hoe vaak ik echt vanuit bed, wakker, mijn huidige studentenkamer had bestudeerd. De naden in het plafond. De vetvlekken op de muur. Hoe de schaduw zich door mijn kamer bewoog als de zon zich liet zien buiten.

Had ik überhaupt wel een band met mijn kamer opgebouwd? Ik leefde er al twee jaar, met veel plezier. Maar het enige wat ik erin deed was slapen, naar een scherm staren, rukken en neuken.

Zuipen deden we in de gezamenlijke woonkamer. Nee. Ik kon me niet herinneren dat ik één was geworden met mijn slaapkamer.

Mijn ma had het vroeger wel eens over het Duitse woord ‘heimat’. Dat gevoel van thuis voelen in een dorp of streek of huis.

Ik kende dat gevoel niet. Ik had me nog nooit ergens volledig thuis gevoeld. In geen enkel huis, dorp of stad. Zelfs niet mijn ouderlijk huis en geboortedorp.

In dat opzicht kon mijn woning net een hotel zijn. Onpersoonlijk gezellig. Je was de kamer alweer vergeten als je de deur in het slot achter je dichttrok. Net zoals thuiskomen na een file of een fikse treinvertraging.