We moeten de wereld die we kennen, die we om ons heen zien en ervaren, vertrouwen.

Je kan alleen iets vertrouwen als je het kan verklaren.

Maar wat als je erachter komt dat het podium van het leven een toneelstuk is?

Dat mensen zich anders voordoen dan ze zijn?

Dat zelfs jijzelf dingen voelt die niet kloppen met wat je hoort te voelen?

Als de vermomming van het leven wegvalt. Je verleden niet klopt. Het beloofde land niet bestaat.

‘Dan blijft het absurde over’, betoogt Camus.

Hij noemt dit het absurdisme.

Waarom vieren we onze verjaardagen? Waarom wensen mensen je ‘nog vele jaren’ toe?

Ze hebben het altijd over ‘later’ als een gegeven.

‘Maar eens zullen we moeten sterven’, schrijft Camus. Je lijf zal er ooit mee ophouden. Je verjaardag verraadt slechts waar je in de curve van de tijd zit.

Het absurde van het leven vervreemdt ons van onszelf.

‘Men kan er zich intussen nooit genoeg over verbazen dat iedereen leeft alsof “niemand het weet”,’ schrijft hij. ‘Dat komt omdat er in werkelijkheid geen ervaring van de dood bestaat. Zuiver gezien wordt slechts dat ervaren wat is doorleefd en bewust geworden.’

We doen alsof we het eeuwige leven hebben. Want we kennen niet anders.

Het besef van tijd is het enige bewijsstuk dat we op iets onbekends afstormen. ‘De oplossing komt pas naderhand.’

Dat is ook absurdisme.

Kijkend naar het verleden, vinden we een rode draad. Dat mensen leefden met het idee dat er een paradijs na de dood op ons wacht.

Een verlangen naar het absolute. Naar een god. Naar eenheid.

‘Dat is de essentie van het menselijk drama’, zegt Camus. ‘De mens is sterfelijk.’

Omdat diepere gevoelens altijd meer zeggen dan ze lijken te vertellen. En je slechts bewijsstukken kan zien in je eigen gedrag en gedachten, maar die nooit helemaal kunt doorgronden, kun je je afvragen of je wel zeker kan zijn wie jij echt bent.

Dat is ook absurdisme.

‘Ik zal mezelf altijd vreemd blijven’, schrijft Camus. ‘Zowel in de psychologie als in de logica zijn er waarheden, maar geen waarheid. Het “Ken uzelf” van Socrates is evenveel waard als het “Wees deugdzaam” van onze biechtstoelen. Beide uitspraken verraden heimwee en tegelijk onwetendheid.’

Voor de absurde geest is de wereld niet rationeel of irrationeel. Die is onredelijk, meer niet.

‘Ik weet niet of deze wereld een zin heeft die daarboven uitgaat. Maar ik weet dat ik deze zin niet ken en dat ik hem vooralsnog onmogelijk kan kennen. Wat heb ik aan een zin die buiten mijn situatie ligt? Ik kan alleen iets begrijpen binnen menselijke grenzen. Wat ik aanraak, wat weerstand biedt – dat begrijp ik. En ik weet bovendien dat ik deze twee zekerheden, mijn verlangen naar het absolute en naar eenheid en de onmogelijkheid om deze wereld tot een rationeel en verstandelijk beginsel te kunnen herleiden, niet met elkaar in overeenstemming kan brengen. Welke andere waarheid kan ik erkennen zonder te liegen, zonder een hoop in te schakelen die ik niet heb en die binnen de grenzen van mijn situatie niets te betekenen heeft?’

Als er geen zin is, mag je dan alles doen wat god verboden heeft?

Camus vindt van niet.

Hij gaat hier regelrecht in tegen het nihilisme van Nietzsche. Die juist aanmoedigt om in verzet te komen tegen alles.

Het absurdisme toont slechts aan dat alles nutteloos is.

Je misdadig gedragen is dus ook een nutteloze bezigheid.

Daarom is er volgens Camus maar één echt filosofisch probleem. Dat is dat van de zelfmoord. Als er geen zin is, waarom beginnen we dan toch elke dag aan het leven?

Hij maakt de inmiddels beroemde vergelijking met de mythe van Sisyphus.

De gast die elke dag een steen de berg op moet rollen als straf.

Vervolgens rolt de steen weer naar beneden en begint de klus opnieuw.

Het elke dag tillen van de steen is niet de tragiek.

Maar dat Sisyphus zich bewust is van deze zinloze daad.

Dat maakt het tragisch.

Tegelijkertijd kan hij er droevig over zijn of vreugde vinden in deze taak.

Elke dag weer.

De berg, de steen, zijn gedachten, die worden zijn wereld.

Dit is zijn leven.

Het voorspelbare is wat hij elke dag ziet en ervaart.

Dat wat zijn kwelling moet zijn, wordt zo zijn overwinning.

Dit is zijn noodlot.

En doordat Sisyphus beseft hoe zinloos zijn taak is, kan die geluk voelen.

De steen. De berg. Het is wel zijn wereld. Hij is altijd onderweg. Het is nooit klaar.

Daar voelt ‘ie of vreugde, of is ‘ie bedroefd. Hij mag het allemaal voelen.

Daarom besluit Camus zijn betoog met de opmerking: ‘De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

Ingewikkelde materie hè?

Toch kan ik je het boekje De mythe van Sisyphus van harte aanbevelen. Camus schrijft helder en bondig, ondanks het ingewikkelde onderwerp.


😱 Deze tekst komt uit mijn dagelijkse e-mail. Elke vrijdag schrijf ik over je creatief uiten of een artiest die zijn lijden om heeft gezet in een kunstwerk. Alleen voor abonnees.