Dit verhaal is onderdeel van een blogreeks. Ik deel elke maandag deel 1 (van de vier delen) van mijn boek Ze gingen samen het toilethokje in.mp4. Hier vind je een overzicht van de reeks.

Zijn  bezoek  was  onomkeerbaar.  Sinds  de  geboorte  van Paul zat dit bezoek er al aan te komen. Het moest dat ene herfstweekend zijn, omdat het hem, mij en mijn moeder het beste uitkwam. Ik zou willen dat ik van tevoren had geweten wat dit teweeg zou brengen. Ik wist niet wat ik anders zou hebben gedaan. Maar toch. Dat idee van weten wat voor invloed een bezoek zou hebben op het vervolg van ons leven. Maar ja, wat wist ik nou? Ik wist eigenlijk helemaal niets toen hij in dit godvergeten stukje land uit de trein stapte.

Niemand  droeg  hier  een  leren  jack.  Niemand  had  een spijkerbroek aan die ruim boven de enkels ophield. Niemand droeg legerkisten met de veters los. Het verbaasde me daarom niet dat mensen Paul langer aankeken dan nodig was toen hij van het perron van Oostervoort afsjokte met een zelfverzekerde vaart. Hij had mij al vrij snel in de gaten en knikte naar me. Hij opende zijn mond al voordat ik hem fatsoenlijk kon horen.

‘Sjonge jonge, jongen. Laat je belangrijke mensen altijd zo lang wachten?’ schreeuwde hij. ‘Ik sta hier al minstens...’ Hij veegde zijn mouw van zijn linkerarm op, stopte met lopen en keek naar zijn harige pols. ‘Nou ja. Het scheelt dat ik niet aan tijd doe. Het bepaalt te veel, vind je niet?’

Hij sjokte verder en stopte één meter voor mijn neus en keek met een wat zuur gezicht naar de lucht. Zo’n gezicht dat mijn vader ook wel eens trok als hij onder zijn eigen oksels rook nadat hij met een klopboor gaten in de muur had gemaakt.

‘Oh, euh, sorry,’ zei ik met een rood hoofd. ‘Ik dacht dat je de trein van kwart over had. Dat hadden we afgesproken, toch?’

‘Kerel,’ zei hij en gaf me een high five waarna onze handen een paar seconden tegen elkaar aan geplakt bleven, alsof  we vrienden waren die elkaar om de dag zagen. ‘Ik weet niet wat voor trein ik heb genomen eerlijk gezegd. Ik zei toch al tegen je dat ik niet aan tijd doe. Bovendien dacht ik in de ochtend opgehouden te worden door een meisje. Dat had ik je verteld, toch? Nou, ze is gisteravond niet op komen dagen. Ongesteld. Bedoel, niet dat ik daar een probleem mee zou hebben. Maar ze voelde zich niet helemaal in haar element of  zo. Nou ja. Dat. Vrouwen. Zijn die hier ook zo ingewikkeld? Waar zijn we eigenlijk? Is dat een cafetaria?’

Hij wees naar de spoorwegovergang aan de overkant van de straat, waar een alleenstaand vierkant gebouw stond wat leek op een halve schoenendoos. De architect had blijkbaar ook een offday gehad. Het was de enige cafetaria in de wijde omgeving. De frituurlucht kon op winderige dagen het hele dorp doortrekken als een laaghangende mist. De patatten kwamen er vaak te licht uit en de frikandellen juist te donker. De eigenaar had er een neusje voor om de meest passieve, dromerige gasten uit dit dorp een bijbaan als patatbakker te geven.

‘Ik heb sigaretten nodig. Rook jij wel eens?’ vroeg hij.

‘Soms,’ zei ik. ‘Maar niet aan mijn moeder vertellen.’

‘Sjezus, pik. Waarom zou ik dat tegen je moeder zeggen? Wat gaan we vanavond eigenlijk doen? Ik heb echt zin in een avontuur. Het laatste wat ik wil is mijn avond op de bank doorbrengen, alleen.’

‘Ik heb met wat vrienden afgesproken,’ zei ik.

‘Ja. Oké. Maar?’

‘Wat?’

‘Kom op, gast! Zijn er vrouwen?’

‘Absoluut.’

‘Nu kunnen we  praten! Goed bezig. Goed bezig. Goed geregeld. Wij gaan samen wat beleven. Ik wist dat ik op je kon bouwen.’

‘Meen je dat?’ vroeg ik. Dat had nog nooit iemand in mijn leven tegen mij gezegd.

‘Tuurlijk!’ Hij sloeg me op mijn rug. Vrij hard ook. Ik kreeg even geen lucht. ‘Hé. Ik weet niet of je het erg vindt, maar heb je cash op zak?’

‘Geen idee?’ Ik wist het wel. Ik had altijd een briefje van tien euro op mijn zak. Voor als hackers al het betaalverkeer zouden platleggen bijvoorbeeld. Dan zou ik het minstens een dag kunnen uithouden zonder een bankpas.

‘Ik heb echt peuken nodig, man. We pinnen later vanavond wel ergens wat geld, vind je niet?’

Ik viste een briefje van tien euro uit mijn broekzak en gaf het hem. We liepen naar de cafetaria. ‘Maar vertel, jongen. Hoe was je dag tot nu toe? Wat heb je gedaan?’

‘Uitgeslapen eigenlijk. TMF gekeken. Dat was het wel.’

‘Klinkt niet echt als een avontuur, man. Ruk je nog wel genoeg?’

‘Euh, hoezo dat?’

‘Je moet jezelf nooit verwaarlozen,’ zei hij.

‘Nee?’

‘Jij gaat dit weekend zoveel van me leren, man. Ik zweer het je,’ zei hij voordat hij de deur opengooide. In de hoek zaten twee gasten en twee meiden patat te eten. Ze keken Paul stomverbaasd aan, alsof hij net met zijn UFO vanuit de ruimte kwam en ‘m hier voor de deur had geparkeerd. Hij knikte als begroeting terug, stelde zich wijdbeens voor de kassa op en bestudeerde het menu aan het plafond uitgebreid.

‘Goedemorguh,’ zei hij tegen de eigenaar.

De eigenaar kwam eraan gesjokt met een theedoek over zijn schouder. De tl-lampen reflecteerden op zijn kale hoofd. ‘Goedemiddag,’ zei hij met een zware stem.

‘Verkopen jullie hier ook sigaretten? No worries. Het is niet voor mij. Het is voor deze minderjarige jongen achter me.’ Hij wees met zijn duim naar achteren en ik kreeg weer een rode kop. De eigenaar keek me onderzoekend aan. Geen enkele spier bewoog in zijn gezicht. Toen zei hij: ‘We hebben alleen Camel.’

‘Sure. Hier.’ Hij gaf het briefje van tien euro. De eigenaar draaide zich om en liep naar een plankje waar verschillende typen Camelsigaretten opgestapeld lagen.

Paul keek naar mij, knipoogde, en liet zich toen op zijn hurken zakken en deed een vinger voor zijn lippen.

De eigenaar legde het pakje Camel op de toonbank neer, keek toen in lichte verwarring mij aan en toen om zich heen.

Hij zuchtte, draaide zich om, ging naar de kassa toe en wisselde het geld. Paul was opgestaan, griste het pakje van de toonbank en sprintte de zaak uit.

De eigenaar draaide zich weer om naar de toonbank en maakte een grommend geluid. ‘Geef maar,’ zei ik en hield mijn hand op. Hij legde het wisselgeld op de toonbank naast mijn hand neer. Alsof hij me niet zag.

Ik liep de cafetaria uit en moest een sprintje trekken om Paul in te halen. Ik wees naar rechts. De kant waar we op moesten lopen.

‘Waarom ging je je verstoppen?’ vroeg ik.

‘Je moet de dagelijkse routine doorbreken van mensen, man. Dat zijn we verplicht. Mensen zitten vast, weet je wel. Vast in hun denkpatronen en in hun voorspelbaarheid. Dat moet doorbroken worden. Hoe keek ‘ie? Vertel het me.’

‘Hij gromde wat eigenlijk.’

‘Saaie vent. Wil je ook?’ Hij knikte naar zijn open pakje peuken.

‘M’n ma ruikt het dan,’ zei ik en ik wees naar mijn tong.

‘Och ja. Je houdt ‘m tegoed, man. Dus, vertel me wat over deze straat. Hoe heet het? Wie wonen er?’

‘Ik weet niet.’ Op het straatbordje stond de Dionysusstraat. ‘Het is de Dionysusstraat. Ik ken niemand die hier woont.’

‘Ik dacht dat jullie dorpelingen altijd iedereen kenden?’

‘Euh, ik niet. Misschien mama?’

‘De wereld is gebouwd op aannames, vind je niet?’

‘Ja,’  zei  ik.  Ik  wist  niet  eens  wat  het  woord  ‘aannames’ betekende.

Ik deel elke maandag deel 1 (van de vier delen) van mijn roman Ze gingen samen het toilethokje in.mp4. Verder lezen? Bestel de paperback of hardcover in mijn shop en ontvang het boek met een persoonlijk bedankje in je huis.