Er is iets geks aan Howard Roark. Hij is architect in New York in de jaren '30. Hij kan op het eerste oog arrogant overkomen. Maar dat is hij niet per se. Er is iets dat hem drijft, wat niet gaat om erkenning of bewondering.

In de schetsen en ontwerpen die hij maakt van gebouwen, accepteert hij geen tegenspraak. Prima dat een cliënt randvoorwaarden meegeeft. Maar feedback op het gebouw zelf wordt niet gewaardeerd. Sterker nog. Hij wil er niets over horen. Als zijn cliënten dreigen hem te ontslaan als hun suggesties niet worden overgenomen, zegt Roark: 'Prima, ontsla me maar.'

Zelfs toen hij geen cent meer in zijn broekzak had en een opdrachtgever hem een geweldige kans aanbood met een voorwaarde – het uitvoeren van diens wensen – weigerde hij. Dan liever in de mijnen handarbeid verrichten om geld te verdienen dan zich aanpassen aan andermans smaak.

Je zou bijna denken dat Roark te trots is. Dat hij heel overtuigd is van zijn eigen gelijk. Dat een mening van een ander niet op hetzelfde niveau zit als zijn visie op zijn eigen werk en dat er daardoor ook niet naar geluisterd hoeft te worden. Dat hij in zijn hoofd een zelfbeeld heeft, een groot ego, waar niemand aan kan tippen.

Maar dat is het niet helemaal. Al zou hij absoluut zelf beamen dat hij een egocentrische man is.

Maar hij lijkt het woord egoïst op een andere manier uit te leggen.