Ik moet hiervan ontsnappen. Dat bijna letterlijke gevoel dat ik geen lucht krijg hier. Dat wat me juist veiligheid en comfort heeft gebracht in mijn leven, voelt aan als een ruïne. Met een afgebrokkelde, onder het mos bedekte verdedigingsmuur. De ophaalbrug is allang verrot en kan niet meer open of dicht. Maar ze leven er nog steeds in. In iets wat ooit was. Ze zijn te dom om het te zien. Levende geesten. Net zoals mijn hoofd nog steeds in die ruïnes leeft.

Dat mechanisme in mijn kop dat smeekt om een goedkeurend knikje. Om de woorden: 'Zet 'm op.' Om: 'Doe maar.' Ik weet dat ik het alleen kan. Vooral als ze me weer niet begrijpen. Vooral als ik zoveel in me voel dat ik tegen de muur aan wil slaan. Dan denk ik dat mijn leven makkelijker is als ze er niet meer zijn. Aan ontsnappen uit dit land zonder het iemand te vertellen.

Maar ik wil ze vooral niet teleurstellen. Ook al is dat onvermijdelijk. Ik ga ze teleurstellen. Of ik er mijn best voor doe of niet. Het gaat gebeuren.

Leven in de verwachtingen van anderen is geen leven. Maar hun blauwdruk van wat ze van me willen en vinden, is zo sterk aanwezig. Ze hoeven het niet eens uit te spreken. Ze hoeven het niet eens te zien. Ik zie de stand van hun gezicht gewoon voor me. De toon van hun stem. De meest heftige vraag waar geen antwoord op komt, maar slechts teleurstelling in doorklinkt: ‘Wat moeten we met je aan?’

Kusje voor de pijn. Op mijn knie.

Maar als ik vertrek, wie geeft er dan een kusje op mijn ziel? Wie zegt dan bij mijn volgende zenuwinzinking tegen me: ‘Komt wel goed schatje, doe het maar gewoon.’

Ze zijn beperkt. Ze zijn vergeten hoe de wereld werkt, hoe die natuurlijke driften door een nieuwe generatie op een nieuwe manier worden bevredigd.

‘Praat niet met vreemden.’ is niet meer van toepassing. Ze moesten eens weten. Ik praat elke avond alleen maar via een app met vreemden van het andere geslacht. Dansend elkaar uithoren zonder te direct te zijn. Vragen wat de ander aanheeft als codetaal voor: ‘Vertel me dat je naakt bent.’ Ik wil niet te makkelijk zijn. Ik wil dat ze moeite voor me doen. Heel veel moeite. Maar ik ben ook zwak...

Wie geeft me een kusje op mijn hart als de volgende persoon me een gevoel gaf dat 'ie echt om me gaf? En nu blokkeer ik het telefoonnummer. Verwijder ik het profiel. Sluit ik me twee dagen op in mijn kamertje met drugs, chocolade, een deken, een iPad en een nutteloze jankserie, waarin personages vooral heel goed zijn in het ontkennen dat de ware liefde gewoon hun directe suffe collega is.

Kusje op het puntje van mijn neus. Dat was ooit genoeg om mijn tranen te doen stoppen. Om de pijn te onderdrukken. Een placebo-effect uit onze jeugd. Maar het werkte. Het werkte heel goed.

Wie geeft hen nu een kusje? Nu ik er niet meer ben en ook steeds minder vaak terugkom. Ze dachten vast: ‘We faciliteren de praktische zaken van het leven, zodat je niet zonder ons kan.’ Maar ik kan wel zonder. Ze zeggen het niet letterlijk meer tegen me. De vorige keer flipte ik. Dat zware gevoel op de borst. De stress van wat ik allemaal nog moest doen. Maar nu weet ik wel dat ze, met elk appje dat ze sturen, indirect bedoelen: ‘Wanneer kom je weer langs?’

Ik heb ze niet nodig. Zij begrijpen me niet zoals mijn vrienden me begrijpen. Vrienden heb ik voor het uitkiezen. Vrienden kan ik inwisselen voor andere vrienden. Vriendschap heeft alle voordelen zonder de minpunten van een liefdesrelatie. Genoeg afstand om geen last te hebben van elkaars heel irritante, menselijke minpunten. Behalve als je er een week of twee weken mee op vakantie gaat. Dan gaat de magie van vriendschap wel een klein beetje verloren. Maar vaak herstelt het zich ook wel weer in het half jaar dat volgt. En dan blijven er slechts leuke herinneringen over.

Dat is wat tijdelijke afstand doet. We vergeten de dingen die eerst zo belangrijk voor ons waren. Die zo zwaar voelden. We vergeten de dingen waar we ons zo druk om maakte.

Ik ben ze aan het vergeten. Ook de lieve dingen die ze voor me deden. De kleine dingen die zo normaal leken, tot ik de verhalen van anderen hoorde over hun vroegere ik. Dat iedereen in hun eigen unieke omgeving opgroeit met rituelen en gebreken. Met een eigen onderlinge taal en zelfs een eigen ontwikkelde manier van humor. Als een minicultuur. Niet alleen bloed verbindt. Maar al dat andere eromheen. De dingen waar ik me in mijn tienerjaren voor ging schamen. Maar als ik er nu aan terugdenk, was dat juist wat het zo bijzonder maakte. Zo anders dan anderen. Zoiets dat bijna niet uit te leggen was aan de volgende teleurstellende geliefde in mijn leven. Je had het moeten ervaren. Zelfs als ik die teleurstelling meenam met kerst, kon die het niet volledig begrijpen.

Sommige mensen hebben geen contact meer met de vroegere eigenaar van de spermacel en de vroegere eigenaar van het eicelletje waaruit ze zijn ontstaan. Als ik ze vraag hoe dat voelt, reageren ze koud. Ze hebben er vrede mee gesloten in hun hoofd, dat dit de enige juiste uitkomst kon zijn. Hoe spijtig ook. Hoeveel lijmpogingen er ook werden ondernomen.

Sommige mensen die ik spreek, dragen een leegte met zich mee. Een of beide ouders zijn er niet meer. Zij worden er elke kerst, elke verjaardag en elk ander volgend levenshoogtepunt aan herinnerd. Dat hun rituelen en cultuur niet meer bestaan zonder de ander.

Misschien is dat de pijn die ze hebben over mij. Dat, nu ik er niet zo vaak meer ben, hun eigen cultuurtje niet meer compleet voelt. Lege slaapkamers. Stil geluid.

Ik mis ze en ook weer niet. Ik mis wat het was en ook weer niet.

Ik kan elk moment van de dag besluiten om in te checken daar. Altijd een kamer beschikbaar. Dus waarom zou ik het missen? Als ik rust nodig heb, of gewoon wat warmte, een betere wifiverbinding en een vollere koelkast, dan kom ik weer langs. Soms onaangekondigd: 'Verrassing!' Vaak aangekondigd. 'Leuk!!!' als antwoord. Wat me gelijk weer dat drukkende gevoel op de borst geeft.

Waarom ben ik zo? Waarom denk ik zo over ze? Waarom kan ik niet waarderen hoe uniek het is? Waarom wil ik zo graag alleen zijn, zonder ze? Hun blauwdruk van normen en waarden wil ik niet meer voelen in mijn hoofd. Wat maakt het zo dat ik me altijd schuldig voel naar hen toe? Voor elke keuze die ik maak? Waar komt dat schuldgevoel toch vandaan?

In andermans verwachtingen leven, is geen leven. Zij kunnen en hoeven niet alles te begrijpen. Dat spel is nu over.

Dus ik vertel ze ook steeds minder en ik benadruk juist de meer triviale feitjes en weetjes van mijn leven. Statusupdates over verkoudheidjes, aanbiedingen in de supermarkt en tips hoe je wijnvlekken uit dekbedovertrekken krijgt.

Maar soms verlang ik nog naar het effect van dat kusje. De warme armen om me heen. Dat veilige gevoel. Die veilige verwachtingen die ze over me hadden, dat ik mijn tanden elke avond goed moest poetsen en niet in bed stiekem met een zaklampje mocht lezen onder de dekens.

Maar het meest nog verlang ik naar een kusje. Op mijn hoofd. Tegen de pijn in mijn ziel over alles wat niet meer is.

Deze tekst is als e-mail op 9 maart 2021 gedeeld als onderdeel van de woensdage-mail.