Wat is de zin van dit alles. Als we onbegrepen door het leven wandelen. We omringd zijn met oppervlakkigheid en middelmatigheid. Al die mensen die doen alsof de eindigheid van het leven niet bestaat. Al die mensen die doen alsof het volkomen normaal is om aan het einde van elke dag een speciale deur open te draaien met een slot erop, om achter die muren geïsoleerd het leven te leven. Staren naar een scherm. Met een slang door je huis bewegen. Met een heet ijzer ding stof gladstrijken.

Hoe kan ik leven met mensen die een foto van zichzelf nemen met een hoedje op hun hoofd met de tekst: ik ben jarig.

Ik weet niet eens waarom mijn Instagram-wall volstaat met bikini-foto’s terwijl het winter is. Wat doen al die vrouwen op mijn wall? Waarom moet ik naar al dat vlees kijken met de hashtag #bringmeback?

Ik word apathisch.

Van protesterende mensen in Singapore. Van protesterende boeren in Den haag. Van rellende BLM Amerikanen.

Verdwijnende regenwouden in Brazilië. Moessonregens in Zuidoost Azië. Smeltende poolkappen. Ergens in het noorden. Of toch in het zuiden.

Waarom durft niemand eens te zeggen: dan vergaat de wereld maar. We redden onszelf dan wel. Zorg voor later. Alsof het de aarde wat zou boeien. Alsof het de natuur wat boeit. Alsof iets of iemand het echt wat boeit dat de ijsbeer uitsterft, de insecten verdwijnen en wij misschien ook.

Dat is sowieso het lot van elk levend wezen op dit moment. We verdwijnen. Dus wat maken we ons druk?

Ik ben apathisch.

Er gaat een virus rond. Dat is erop uit om zich te vermenigvuldigen in onze longen. Mensen worden er ziek van. Sommigen niet. We kunnen het stoppen. Door onze vrijheden tijdelijk in te leveren. Maar dat hoeft ook niet. We kunnen ook elkaar bestrijden in plaats van het virus. Met ruzie en wantrouwen.

Mensen zeggen dat het een correctie is van de natuur. Van god. Maar dat is net alsof we de natuur of god kunnen aanspreken op dit.

Er valt niets of niemand hierop aan te spreken.

Het is gewoon zoals het gaat.

Maar dat ziet niemand. Dat dingen gewoon gaan zoals ze gaan.

We leven. We sterven.

Niets meer. Niets minder.

Ik leef. Ik creëer. Ik ga sterven.

Ik ben niet belangrijk. Ik ben ook niet onbelangrijk.

Het is gewoon zoals het is.

Ik praat niet de taal van de mensen om me heen. Mijn taal is niet de taal van woorden. Het is de taal van het gevoel van nietigheid. Van het oneindige. Van het grote niets. Daar kan geen gedicht tegen op. Geen enkel schilderij. Geen foto. Het is een gevoel. Ik voel het. Jij voelt het.

Maar de rest niet.

Maar als ze goed kijken, naar de lucht, dan kunnen zij het ook zien. Dan kunnen zij ook voelen wat ik voel.

We leven in een grote koude lege hoek. Al dat zwart, met tussendoor af en toe wat sterrenstof. Het is leeg hier, in deze hoek van het universum. Hier, waar onze aarde ronddraait, omdat het niets anders kan, dan gewoon draaien. In een kille koude zwarte leegte.

Wat zijn we hier aan het doen met elkaar? Waar maken al die mensen zich zo druk om?

Ik snap gewoon 90 procent van de zorgen van mensen niet.

Apathie.

Dat is waar ik in ben veranderd.

Apathie.

Als het vannacht eindigt, klokslag 0.00 uur. Voor ons allemaal. Beloof je me dan op te zoeken om 23.57 uur?

Misschien voel ik dan nog net iets in de laatste 180 seconden van ons bestaan.

Ik hoop het.

Dan had het toch nog een klein beetje zin. Dan voelde ik toch nog een klein beetje emotie.

Deze tekst is als e-mail op 28 december 2020 gedeeld als onderdeel van de woensdage-mail.