We zijn allemaal rechters. Continu de ander bekritiseren. Jij bent net zo zwak als ik. Net zo gemeen in je gedachten over andere mensen. We houden van negatieve praat. Het liefst met anderen die hetzelfde denken.

Terwijl we natuurlijk zelf geen haar beter zijn. Ook jij hebt mensen pijn gedaan met je gebreken…

Er hangt een negatieve wolk rondom roddelen: dat hoort niet. We zouden hier afstand van moeten doen.

We veroordelen het roddelen. Terwijl we allemaal roddelaars zijn.

Het lijkt wel een paradox…

Zelfs de mensen die zich het duidelijkst uitspreken dat ze niet aan roddelen doen, bespreken anderen. Ik heb het gezien op kantoor. Ze noemen het dan geen roddelen maar strategisch analyseren. Denken in coalities en tegenstanders. Swop-analyses maken.

Maar dat is allemaal verhullend taalgebruik om even de ander flink door te lichten, inclusief alle negatieve menselijke trekjes.

Roddelen heeft een functie. Als groepsdier moet je weten hoe het met anderen gaat. Of ze geen gevaar vormen voor de groep. Je moet hun gedrag en uitspraken analyseren met anderen om tot belangrijke inzichten te komen.

Roddelen verbindt. Roddelen creëert geheimen tussen jou en mij. Een roddel gaat niet om ‘de waarheid’ maar of je het met elkaar eens bent over elkaars waarheid.

Ikzelf krijg een beetje buikpijn van roddelen. Begrijp me niet verkeerd. Ook ik ben mens. Ook ik roddel mee of start zelf het gesprek over de ander.

Maar ik krijg buikpijn, omdat ik zelf geen haar beter ben. Ook ik ben soms een rare kwibus. Mijn gedrag, uitspraken en handelingen zijn roddel- en veroordelingswaardig.

Echt waar.

Hoe zuiver ik in godsnaam mezelf daarvoor?

In het boek De Val van Albert Camus heeft personage Jean-Baptiste Clamence (rechter-in-penitentie) het antwoord gevonden. Hijzelf was lange tijd in Parijs de geweldige advocaat die zijn cliënten verdedigde en rechters om de tuin leidde met zijn pleidooien. Hij hield van het leven, maar vooral van zichzelf. De mensen om hem heen waren werktuigen die je kon gebruiken voor je eigen gewin. Hij probeerde een goed mens te zijn. Zijn rijkdom te delen. Hij had aanzien. Was geliefd. Nachtenlang kon hij feesten, vrouwen beminnen, vriendschappen aangaan die ook net zo snel weer doofden.

Hij vond zichzelf een supermens.