🪐 De dood in de ogen kijken laat je het leven niet meer waarderen

bijna-doodervaringen

Het is de scène die me het meest ergert in de film Fight Club (1999).

Waarin Tyler Durden (Brad Pitt, 1963) Raymond K. Hessel uit een nachtwinkel trekt en hem op de parkeerplaats op zijn knieën dwingt en dan een pistool op de achterkant van zijn hoofd zet. Ondertussen bekijkt hij de inhoud van zijn portemonnee.

Niet om het geld. Maar om erachter te komen wie hij is.

Durden vraagt wat hij in het leven wil worden.

‘Dierenarts.’

Dan vraagt Tyler waarom hij dat nog niet is.

Would you rather be dead?! Would you rather die? Here, on your knees in the back of a convenience store?

De man huilt nee.

I’m keeping your license. I’m gonna check in on you. I know where you live. If you’re not on your way to becoming a veterinarian in six weeks you will be dead! Now run on home.

De man rent weg en Tyler kijkt hem emotioneel na.

Tomorrow will be the most beautiful day of Raymond K. Hessel’s life. His breakfast will taste better than any meal you and I have ever tasted.

motiverend ofzo

Dit vinden mensen motiverend.

Het idee dat je misschien door iemand in de gaten wordt gehouden of je wel aan je beloftes houdt. En anders volgt er de dood.

Motivatie is blijkbaar iets dat je wordt opgelegd door een ander.

Maar ik denk zelf vooral dat er iets anders onder ligt.

We dromen allemaal van opnieuw beginnen.

Maar zitten vastgeroest in ons leven. Het enige wat we nog hebben is een heftig moment dat ons wakker schudt. Zoals een idioot die een pistool op ons hoofd zet en vraagt wat we echt willen doen in het leven.

Ik betwijfel of dit motiverend werkt.

Een vriend van me heeft in de loop van een pistool gekeken bij een overval op een winkel waar hij werkte. Het achtervolgt hem nog steeds in zijn slaap.


Ik betwijfel überhaupt of als je de dood in de ogen hebt gekeken, je het leven meer gaat waarderen. Dat je dan echt dingen gaat doen die je graag zou willen.

Sebastian Junger (1962) komt tot dezelfde conclusie na zijn bijna-doodervaring in het ziekenhuis.

Je gaat het leven niet meer waarderen. Je waardeert de relatie met de dood juist meer.

Sebastian Junger is een bekende Amerikaanse oorlogsverslaggever en heeft de dood veel gezien in conflictgebieden. Hij heeft mensen zien sterven daar. Net zoals collega’s.

Hij weet hoe mensen doodgaan, hoe het ruikt en vooral hoe willekeurig het allemaal is.

Maar dan is hij zelf stervende. Ook al wist hij het niet. Lopend in het bos in de buurt van zijn huis met zijn vrouw voelt hij zich niet goed worden.

Een beroerte? Hartaanval?

Het personeel van de ambulance sluit dit allemaal uit en vermoedt niets ernstigs en wil hem hier zo achterlaten.

Het is zijn vrouw die aanvoelt dat hier meer speelt dan je even wat flauwtjes voelen door uitputting of te weinig eten. En ze had gelijk. In de ambulance gaat het helemaal mis.

Hij blijkt een gescheurd aneurysma te hebben in een slagader bij zijn alvleesklier. Een interne bloeding dus. Levensgevaarlijk. Helemaal omdat ze eerst niet weten waar die bloeding in het lichaam zit. Dat is zeer moeilijk opereren.

Junger doet tot in detail verslag over wat er met hem en zijn lichaam gebeurde. Inclusief alle statistieken die hij maar kon vinden over zijn kans op overleven. De rijafstand naar het ziekenhuis. Het geluk dat een ervaren chirurg en interventieradioloog dienst hadden. De plek van de bloeding. De hoeveelheid bloed die hij verloor. De bloedtransfusies. Etc.

Die dag hing aan zoveel toevalligheden aan elkaar, dat het opmerkelijk is dat hij dit nu nog na kan vertellen. Maar denk nu niet dat dingen met een reden gebeuren. Want zijn schoonzusje sterft een paar dagen later aan precies dezelfde kwaal.

De dood is zo willekeurig.

Het is in de uren in het ziekenhuis, als hij erg verward door de pijn en medicatie begint te raken, dat iets duisters aan hem trekt.

Hij ziet een zwarte afgrond. Een soort opening naar iets waar hij niet meer uit terug zal komen.

Hij is zelf aan het sterven.

De artsen weten het ook. De kans wordt steeds kleiner dat Junger dit overleeft.

In die doodstrijd verschijnt zijn vader.

Ja.

Zijn atheïstische, rationele vader.

Die al jaren dood is.

Hij praat tegen hem.

Dat het oké is. Dat hij met hem mee kan komen. Dat hij niet bang hoeft te zijn.

Junger raakt ervan verward.

Het licht zien. Je leven voorbij zien flitsen. Al die bijna-doodervaringen zijn rationeel te verklaren. Omdat het ook op te roepen is met drugs of ademhalingsoefeningen.

Het is iets dat ons bewustzijn kan creëren door de stofjes in je hoofd.

Maar hoe kan het dat zoveel mensen die even dood waren en toen na een paar minuten weer terugkwamen, bezocht werden door overleden familieleden?

De rationele atheïstische Junger kan er niet bij.

Want hij overleeft het ziekenhuis en mag een paar dagen later naar huis.

Zijn gedachten zijn niet vervuld met leven. Nee. Hij voelt dat zijn relatie met de dood anders is geworden. Minder angstig.

Hij zegt niet dat deze spirituele ervaring met zijn vader hem heeft genezen van zijn atheïsme. Of dat hij nu wel gelooft in een hemel.

God is een uitvinding van de sterfelijke mens.

Mensen koppelen God en een leven na de dood aan elkaar, terwijl het twee losse onderwerpen zijn. Een leven na de dood kan er ook zijn zonder een god, betoogt Junger.

Maar hij twijfelt nu wel. Dat er waarschijnlijk meer is dan we ons kunnen voorstellen.

Dat de dood niet zomaar dood is.

Hij noemt zichzelf nu een atheïst met vragen.

Zijn bijna-doodervaring heeft overigens zijn leven niet meer smaak gegeven. Het hele gebeuren was zeer traumatisch voor hem en kwam niet eens in de buurt van zijn ervaringen in oorlogsgebieden.

Hij is er heel angstig door geworden de maanden die volgden. Hij raakt ervan overtuigd dat het hem opnieuw kan overkomen dat hij een bloeding krijgt. Ook denkt hij voor een periode dat hij eigenlijk al dood is en hij nu in een hallucinatie leeft waar iedereen doet alsof die leeft.

Dit is overigens een kenmerk van trauma als je bijna het loodje legde.

Het boekje heet In My Time of Dying (2024) en is hier te lezen en op Storytel te luisteren. Ik heb het met veel plezier gelezen. Hij probeert geen enkel moment je te overtuigen om in iets of niets te geloven. Hij presenteert tal van onderzoeken en rapporten en spirituele theorieën. Maar trekt geen grote conclusies. Dat zou ook niet fair zijn. Behalve dan dat het een feit is dat zijn vader verscheen toen hij aan het sterven was.

Liefs!

tomson