De zomer was een tijd van verveling, bezinning en verveling. Iedereen was de stad uit.

De warmte maakte me loom.

Ik had nergens zin in.

Het was een verademing toen Nik me belde en vroeg of ik mee ging naar de zee.

Daar had ik vrienden voor. Om de dag te breken.

‘Jaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa’ schreeuwde ik als ware bevrijding. ‘Met Hein en PJ,’ zei Nik erachteraan.

Het was te laat om te weigeren. Dus zat ik in de trein naar Scheveningen in mezelf gekeerd half te luisteren naar de onzinverhalen van Hein.

Hij deed verslag van een vakantie van drie jaar geleden. Elke zin die hij in Athene had uitgesproken herhaalde hij in de trein. Het was een “mega prachtig fantastisch te gek gaaf” avontuur, wat me deed vermoeden dat als ik mee was gegaan ik me nu had afgevraagd over welke vakantie hij het nou had.

Overdrijven was een kunst.

Die hij beheerste.

Van elk nutteloos detail op een dag als deze maakte hij een saga van.

Zelfs het worstenbroodje dat hij een half uur eerder bij de kiosk op Utrecht centraal had gehaald, was een spanend verhaal geworden. Een verhaal over een verleidelijke blondine, miscommunicatie met een Duitser en een verloren eurobriefje van vijf.

Waarom maakte hij dit leven groter dan het was?

Toen Hein een telefoontje kreeg en PJ op de wc van de trein zat, vroeg ik aan Nik waarom hij altijd zo overdreef. ‘Het is zo gemaakt. Hij is zo overdreven blij met zichzelf.’

‘Maak je eens niet zo druk over anderen,’ snauwde Nik me toe. ‘Alsof jouw leven geweldig is.’

< Vorig bericht | Ik zit ook op Instagram | Volgend bericht