De groep oud-studiegenoten van Nik was tot de ontdekking gekomen dat een kampvuur meer was dan een hachelijk gevoel van warmte.

Achter elkaar sprongen ze over de vlammen heen. Eerst de jongens. Daarna ook de meiden.

Nik deed met een salto over het kampvuur zijn oud-studiegenoten versteld staan.

Hein (ik mocht hem niet) kwam naast me staan en aanschouwde het spektakel met een biertje in zijn hand: ‘Is dit niet het leven?’ zei hij.

‘Eerder een verslaving aan adrenaline.’

‘Hoe dichter we bij de dood komen, hoe meer we voelen dat we leven, vind je niet?’ Zei hij.

‘Er hoeft vanavond maar iemand in het vuur te vallen om ons leven voorgoed te veranderen. ‘

‘Dat bedoel ik,’ zei hij glimlachend. ‘Ga jij ook springen?’

Ik keek hem aan en zei: ‘Ik heb de adrenaline niet nodig. Het verandert niets aan mijn verstompte gevoel.’

Hij keek me aan en lachte alsof hij me begreep. Waarschijnlijk de enige persoon deze avond: ‘Je zet je zo duidelijk boven ons. Bijna superieur.’ Hij nam een slok uit zijn flesje Bavariabier: ‘Dat mag ik wel.’

Hij nam een aanloop en sprong al trappelend met zijn benen over het vuur. Iedereen juichte, schreeuwde en joelde.

Waarna ik vaststelde dat het me goed deed dat iemand zich iets aantrok van wat ik zei.

Een gozer met een ronde bril moedigde me aan om er ook overheen te springen. ‘Je wilt het,’ zei hij. Waarna ik hem aan bleef kijken en zei dat ik hem niet nodig had om te bepalen wat ik zelf wel of niet wilde.

Mafkees.
< Vorig bericht | Ik zit ook op Instagram | Volgend bericht