Zijn haar was anders.

Zijn kleding was anders.

Hij was iemand anders.

Niet de jongen die een arm om me heen sloeg en me tegen zijn borstkas aandrukte en me een zoen op mijn voorhoofd gaf en ‘schatje’ zei, zoals alleen hij ‘schatje’ kon zeggen.

Niet de boy die me net voor het slapen gaan appte met ‘ik ga zo over je dromen’.

Niet de gast die eens dronken tegen zijn vrienden schreeuwde dat ik alles was. Alles!

Wat was daar gebeurd? Die paar maanden dat hij in Zuid-Afrika en Namibië zat?

Hij was iemand anders geworden.

Yort. Zo dichtbij. Amper een meter van me verwijderd.

Toch zo ver weg.

Ik zag het nu pas echt.

Dit was iemand anders. Met dezelfde naam. In hetzelfde lichaam.

Ander karakter. Andere dromen. Andere ambities. Andere blik in zijn ogen.

Hij zat op mijn bank. Waar we zo vaak de liefde op hadden bedreven. Waar ik zo vaak op zijn lichaam in slaap was gevallen.

Ik zat op de grond, met mijn knieën over elkaar gevouwen, bij de salontafel. Ooit voor 5 euro meegenomen uit een kringloopwinkel.

‘Ik vind het echt zo vervelend voor je dat ik je zo heb gekwetst. Serieus. Maar, eerlijk gezegd, doet het niet zoveel met mij’, zei Yort na een lange stilte.

‘Wie ben jij geworden?’, vroeg ik. ‘Ik zie jou en eigenlijk ook weer niet. Ik weet niet wie nou voor me zit.’

‘Misschien wil je het niet begrijpen’, zei hij.

‘Laat het me begrijpen dan. Laat het me gewoon begrijpen dan Yort.’

‘Ik weet niet. Waarom weet je. Waarom? Het doet me gewoon weinig. Ik kan het ook niet helpen.’

Hij keek me niet eens aan als hij sprak.

‘Ik heb echt - na al die onzin uit je mond de afgelopen weken - nu pas echt het idee dat je iets voor het eerst meent.’

‘Dat is niet waar.’

‘Oké. Misschien ook wel niet.’

‘Ik ben gewoon awakened. Verlicht misschien wel. Het was - toen ik daar zat op de Tafelberg - alsof ik naar mijn eigen leven keek en precies zag waar het naar toe ging en ik voelde me benauwd worden. Heel erg benauwd. Verstikkend gewoon.’

Dit deed zo’n pijn.

Niet huilen.

Geen emoties laten zien.

Niet aan hem.

‘Ik voel me zo leeg zonder jou’, zei ik. Daar begon het. De tranen. ‘Ik mis je zo erg Yort. Echt zo erg. Ik heb zoveel tranen voor jou gelaten. Nou ja. Zonder jou is er geen mij meer. Zo voelt het echt en ik zoek op de een of andere manier in je woorden een soort houvast, dat, dat het iets was. Luister nou. Niet dat het ooit wat meer gaat worden. Ik snap dat ik afstand moet houden. Ik voel de noodzaak en hoe moeilijk het ook is, zoek ik je niet op. Wel in mijn hoofd, maar niet echt. Ik app je niet meer. Ik bel niet. Ik. Gewoon. Weet je. Ik snap echt dat je niet meer wilt. Maar het was toch wel iets? Die zeven jaar? Het was toch niet niets?’

‘Ik weet niet wat ik hierop moet antwoorden. Sorry’, zei Yort.

‘Wat wil je nou...’

‘Nee luister. Het is. Ik bedoel het echt niet zo ongevoelig als het eruit komt. Het is ook voor mij niet makkelijk om hier te zijn. Serieus niet. Je zoekt antwoorden die ik je niet kan geven.’

‘Waarom niet? Wat gaat er in godsnaam in je om? Vertel me dat gewoon.’

‘Ik zou eerlijk gezegd niet weten waarom ik je dat moet vertellen’, zei Yort.

‘Om, om die zeven jaar samen misschien?’

‘Zes en een half jaar.’

‘Nou ja, zes jaar en negen maanden. Maar dat je het afrondt naar beneden, zegt wel hoe je naar onze relatie keek’, zei ik.

‘Jezus. Wat maakt het allemaal uit Juul? Wat maakt het nou uit? Het verandert niets aan vandaag. Niets aan morgen. Echt niet.’

‘Nee, maar het zegt wel iets over die zeven jaar en hoe jij naar ons kijkt.’

‘Wat wil je horen dan.’

‘Dat je om me hebt gegeven. Vertel me dat.’

‘Ik geef om je. Nog steeds.’

‘Zeg dat dan meteen.’

‘Ja Juul. Zeg dan gewoon even alles wat ik moet zeggen dan. Dan ben ik van dit gezeik af. Allemensen. Jezus Christus.’

Dit was de oude Yort. Soms zo opgefokt. Hij was nog aanwezig. Daarbinnen in dat lichaam van hem. De oude geliefde van mij.

‘Ik herken je echt zo niet meer terug Yort’, zei ik.

‘Ik herken mezelf niet meer terug als ik aan onze zes en half jaar samen denk. Alsof ik in een bubbel van comfort en verzadiging zat. Ik ben verlicht. Ik ben eindelijk verlicht.’

‘Wat?’

‘Niks. Vergeet het. Ik wil eigenlijk gaan. Hebben we nog iets te bespreken? Wat af te handelen?’

‘Waarom doe je nou zo?’

‘Juul. Je blijft maar antwoorden zoeken. Ik weet echt niet wat je wilt horen.’

‘Waarom vertel je niet wat je voelt en denkt dan.’

‘Het is niet makkelijk om hier te zijn hoor. Om jou zo te zien. En ik kan er niks met je over delen, omdat je het niet zult begrijpen én omdat het je nog verdrietiger maakt. Het is oké zo Juul. Het is oké zo. Ik geef om je. Dat moet je weten schat.’

‘Ik dacht dat je afgelopen weken bij Jackie was.’

‘Je wilde dat zeker.’

‘Nee. Maar ik dacht het echt. Tot ik haar tegenkwam en ze ontkende.’

‘Jij altijd met je Jackie. Dit is altijd zo verstikkend wat je doet. So what als ik bij haar was. Maar dat is niet zo en het is echt gemeen dat je hier elke keer mee komt. Ik was smoorverliefd op haar toen ik veertien jaar was. En toen kwam jij en toen hadden we zesenhalf jaar een relatie. Als jij nog steeds denkt dat je de eerste de beste vrouw was die ik na Jackie tegenkwam, zodat ik haar kon vergeten, dan heb je er echt werkelijk niks van gesnapt.’

Zoveel woede in hem. Zijn gebalde vuisten. De ogen... Hij meende dit echt. Jackie was niet meer in zijn leven. Het stelde me gerust. Deze woorden.

‘Oké. Sorry. Dankjewel voor deze woorden’, zei ik. ‘Dit ging wel gemakkelijk toch? Dit is positief. Ik vind het fijn om iets positiefs over onze zeven jaar te horen.’

‘Jezus Juul. Dit weer. Je legt het er weer zo dik bovenop. Weet je wat? Misschien was je wel de eerste de beste na Jackie. Maar, ik ben nu echt wakker geworden. Geen Jackie. Niet meer jij. Andere wegen. Andere kansen. Nieuwe tijden. Ik voel me zo goed nu. Zo goed.’

‘Goed voor jou Yort. Goed voor jou’, zei ik. ‘Sorry hoor. Negeer m’n tranen. Weet je wat het is Yort? Je klinkt echt als een nieuw persoon. Goed voor jou. Goed voor jou! Ik meen het.’

‘Dat is aardig van je.’

‘Ben je aan het worden wat je graag wilt zijn?’

‘Ik wil in ieder geval niet meer de persoon zijn die ik was. Wat ik wel wil zijn, ik weet het niet. Dat is het avontuur dat ik aanga. Ik hoop er komende reizen over de wereld achter te komen.’

‘Waar ga je heen dan?’

‘Australië denk ik eerst. Dan Filipijnen. Thailand. Bali misschien.’

‘Zou ik ook wel heen willen.’

‘Ik ga naar huis Juul.’

‘Blijf nog even. Ik vind het gezellig.’

‘Claim me niet zo.’

‘Dat doe ik niet. Sorry’, vervolgens, ‘kunnen we dit vaker doen? Gewoon, praten als echte mensen? Niet als exen…’

‘Kom op Juul. Nou niet weer gaan huilen. Jezus Juul. Vergeet niet te ademen alsjeblieft.’

‘Sorry. Ik besef gewoon dat dit het echt gewoon is.’

‘Heus niet.’

‘Ik ga je nooit meer spreken. Ik zag het in die ogen van je.’

‘Heus wel een keer.’

‘Nee. Het is gewoon echt over.’

‘Ik wil je hier niet huilend achterlaten of zo. Maar ik moet nu echt gaan. Oké? We komen elkaar vast nog wel ergens in de toekomst tegen. Echt.’

Hij vertrok.

Ik kroop op de bank. Om zijn warmte te voelen. Om de warmte vast te houden van waar hij zat.

Het trok snel weg. Te snel.

Ik legde mijn wang op zijn zitplek.

Het was weg.

De temperatuur van de bank was een geworden met de kamer en dat van mijn eigen lichaam.

Net zoals zijn geur. Opgelost.

Ik rook hem niet meer. Zijn parfum. Zijn in het shirt getrokken zweetlucht dat al dampend om hem heen hing.

Hij was weg.

Echt weg.


Koop m'n boek Vrouwen die Charlie haten
Koop m'n blogbundel Digital love
Laten we appen
Foto via @kloskowski.jacek


Lik me op Facebook
Achtervolg me op Instagram