Ik, Hugo en Kurt slenterden door Brussel heen op een druilerige dag. Manneke pis was een dieptepunt. A lot of fuzz about notin’.

We aten een broodje in het Warandepark. We bezochten het Koninklijk paleis en Musea voor Schone kunsten. De werken van Dali waren fascinerend.

Ik heb ademloos zitten staren naar een conversatie tussen een Wallonische en een Vlaamse boekverkoper in een boekenwinkel. De Waal bleef stug in Frans praten, de Vlaming antwoordde in het Nederlands.

Het was een vreemd land. De Vlaamse frieten vielen me tegen. Met wafels had ik niet zoveel. Ik had continu een bezwaard gevoel dat ik met mijn tongval verraadde dat ik uit Nederland kwam. Die blik in hun ogen als ik mijn eerste woorden had uitgesproken. Ja, ik was die arrogante zuinige luid pratende kaaskop.

Kurt en Hugo hielpen me niet echt mijn identiteit te verhullen. Ergens aan de Anspachlaan begonnen ze een heel betoog tegen drie prachtige Belgische tieners hoe schattig dat Vlaamse accent was. Alsof ze met een meisje van zes jaar aan het praten waren dat een trucje met een hoepel kon. Denigrerend bijna. Het gesprek eindigde met Kurt die op de knieën ging om te smeken of ze mee terug naar Utrecht gingen. De meiden lachten beleefd en speelden het spel zwijgend mee.

Wat zouden ze wel niet moeten denken.

Ik besefte me in Brussel dat ik niet zoveel met mijn eigen afkomst had. Ik was niet trots op mijn Hollands bloed. Ik had niet zoveel met de Nederlandse taal. Ik voelde me niet beter dan een Belg.

Ik voelde eigenlijk niet zoveel bij mijn thuisland. Het was een fijne plek om te wonen. Het was een land met prima mensen. Maar het had ook Spanje kunnen zijn. Of Polen. Ik was een kosmopoliet. Zonder dan dat gevoel dat we allemaal één waren op aarde.

Toen zij kwam

Eind van de middag voegde Rosalie zich bij ons in een Vlaams praatcafé. Ze had zich volledig in het wit gekleed. Een strakke witte broek, een wit truitje en opvallende gekleurde armbanden om haar pols.

Ze was prachtig.

Kurt zag dat ik te lang naar zijn zus zat te staren en schudde kort met zijn hoofd. Hij had een allesziend oog.

Het maakte me licht ongemakkelijk. Hij zou het nooit kunnen accepteren als ik wat met haar kreeg.

‘Wat heb je gisteravond gedaan?’ Vroeg Hugo aan haar. ‘Afgesproken met een Vlaamse god?’

‘I wish’, zei ze. ‘Ik ben bij een vriendinnetje geweest. We hebben in hetzelfde appartement in Londen vorig jaar gewoond. Het was fijn haar weer te zien. En jullie?’

‘We hebben de piemel van Manneke gezien’, zei Hugo.

Even later vroeg Rosalie tegen mij wat ik van Brussel vond.

Ik haalde mijn schouders op ‘Ik voel me altijd zo alienated in het buitenland. Ik ben me zo bewust dat ik uit Nederland komt, dat het binnen in mij een tegenreactie opwek dat ik daar niks mee heb.’

‘Ik woon in Milaan in een modellenappartement samen met een tiental andere nationaliteiten. Ze kijken dezelfde films, muziek een boeken te lezen als ik. We spreken in het Engels met elkaar. We leven in dezelfde stad. Ik merk geen verschil als Nederlander. We zijn allemaal een Charlie.’

‘Ik ben benieuwd wat een twintiger in Beiroet of Bagdad voor idealen heeft en of dat in de buurt komt van die meiden in jouw appartement,’ zei ik.

‘Je hebt iets sinisters over je heen’, zei ze toen.

‘Wordt er beetje geneukt door je huisgenoten daar in dat appartement?’

‘En je bent grof.’

‘Hoe is dat nou. Leven in zo’n modellenappartement?’

‘Weinig privacy, een teringzooi en te veel kabaal. Wanneer de laatste naar bed gaat, staat de eerste alweer op.’

‘Lijkt wel een studentenhuis.’

‘Wat ben je nu aan het doen’, zei ze monotoon. ‘Ik vind het vervelend.’

‘Ik hou al op,’ zei ik lacherig. Ze zei niets terug. Ik legde mijn hand kort op haar pols. ‘Vanavond gaan we dansen, oké?’

Ze zei niets terug. Kurt keek me verkennend aan terwijl Hugo tegen hem praatte. Hij had het gezien dat ik haar pols had aangeraakt.


Mis niets. Ontvang het volgende verhaal direct in je mailbox


Volg Psycho killer op Facebook, Twitter, Instagram

Photo credit: Stephanie Mcniel