straat staren bier drinken avond duisternis melancholie

‘Waarom is het nooit wat tussen ons geworden?’ Vroeg Sara.

Ik zat op een stoel, bij te komen van mijn black-out. In het café leek het niemand wat te boeien dat Cleo me neer had geslagen. Ze was zelf trouwens ook nergens meer te bekennen.

Mijn jeugdliefde streek door mijn haren. Alsof we nooit van elkaar verwijderd waren.

Ik keek Sara aan en zag nu pas werkelijk dat ze iemand anders was geworden. Haar ogen, de conditie van haar huid, haar kledingstijl.

Dit was bij lange na niet het meisje waar ik nachtenlang van wakker lag. In mijn hoofd was ze nog steeds dat schattige mysterieuze meisje.

Maar ik kon de tijd niet stoppen. Tijd was een seriemoordenaar.

Het maakte mijn gedachten over het verleden vager.

‘Je streeft naar iets wat er niet meer is,’ zei ik.

‘Jij was de enige persoon die me leek te begrijpen. Weet je.’

‘Denk je echt dat het wat had kunnen worden tussen ons?’

‘Ja,’ zei ze.

‘En dan? Het had niet voor altijd kunnen duren. Waarschijnlijk maar twee jaar. Ik was vijftien jaar en jij amper dertien. Zou dat het waard geweest zijn?’

‘Dan heb ik je in ieder geval even gehad.’

‘Waarschijnlijk waren we met ruzie uit elkaar gegaan en bleven we ons hele leven dat verongelijkte haat gevoel naar elkaar toe houden.’

‘En nu hebben we een fantasie van wat het misschien had kunnen worden,’ zei ze.

Ze stopte met strelen. En nam wat afstand van mijn lichaam. Dat vond ik jammer. Ik miste opeens haar warmte.

‘Wat wisten wij nou van relaties en liefde. Het had nooit lang kunnen duren,’ zei ik.

‘Je bent veranderd,’ zei ze. ‘Je kijkt niet meer zo somber uit je ogen.’

‘Somber? Ik ben vervlakt,’ zei ik overtuigd. Alsof ik er trots op was. ‘In mijn hoofd bestaat de toekomst niet meer.’

‘Wat bestaat er dan wel?’

‘Nu.’

‘Nu?’

‘Waar is Cleo.’

‘Naar haar ouders toe.’

‘Ze heeft mijn kaartjes voor een vet feest in Berlijn. Ik heb ze nodig. Mijn vrienden zouden me vermoorden.’

‘Wat boeit het waar ze zijn als je hier in het nu leeft? Met mij voor je.’

‘Je weet heus wel wat ik bedoel,’ zei ik.

Ik zag de teleurstelling in haar ogen.

‘Waarom wilde je niet met me zoenen op dat feestje in Bunnik jarengeleden? Als je in het nu zou leven, had je me daar gezoend.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Je was niet opzoek naar mij, maar naar jezelf.’

‘Dat zijn we toch allemaal?’

‘Je begrijpt het heus wel.’

‘Ik hou van je Charlie.’

Een pijnscheut in mijn buik. Dit was niet goed wat ze zei. Ik wilde dit niet horen. Niet nu en vooral niet uit haar mond. Ik had haar járen niet gezien. Waar had ze het over…?

Ze kroop dichter tegen me aan. Wat me bijna verstikte. Ik wilde haar lichaam niet voelen. Ik wilde niet dat ze tegen me aan kroop.

‘Je houdt van de Charlie die niet meer bestaat. Geloof me, je zou de Charlie die nu voor je staat, toen als 13-jarige echt haten. Haat gewoon.’

‘Maar ik ben geen 13 jaar meer.’

‘En ik geen vijftien.’

Ik stond op. Dit leidde nergens naar toe. Mijn verleden was neergestoken door de tijd. Het rouwen was voorbij. Ik moest vooruit. Gedachten aan vroeger gaf me een ongemakkelijk zwaar gevoel.

Het idee dat het leven een grote mislukking was.

Dat wat het leven natuurlijk ook. Maar het zou minder mislukt zijn als ik mijn verleden gewoon kon vergeten.

Ik glimlachte naar haar en vroeg of ze wist waar Cleo’s ouders woonden. Ze gaf me het adres, ergens in Overvecht.

Toen liep ik zonder ‘doei’ te zeggen de kroeg uit. Weg uit mijn gedeelde verleden met Sara.

Voor goed.

< Vorig bericht Volgend bericht >