De werkvloer was een politiestaat. De traffics controleerden de medewerkers. De medewerkers controleerden elkaar. Ieder die afwijkend verdrag vertoonde, werd in de roddels afgestraft. De werkvloer was een bonte verzameling van nationaliteiten: Surinamers, Tunesiërs, Marokkanen, Brazilianen, Bosniërs, Antilianen, Indonesiërs. De werkvloer was verdeeld in subculturen. De oude garde, de moslims, de herintreders, de feestende twintigers, de dikzakken, de ik-ga-snel-weer-studeren-club, de verloren zielen en de creatievelingen. Ik beschouwde mezelf als verloren. Ik beschouwde elke andere medewerker als een dode ziel. Ik was omringd met dode zielen. We waren met z’n allen ten dode opgeschreven.

Net zoals de manager. Dirk. Niemand kon hem serieus nemen. Hij was een omhooggevallen veertig jarige man in strak pak met een hersencapaciteit van een orang-oetang.

Alles wat hij zei, had hij gekopieerd van managementboeken en management-audiobook-cd’s. (Je kon het wel uit je hoofd opdreunen, maar dat was wat anders dan begrijpen Dirk!).

Zijn deur stond vaak dicht, heel soms open. Vooral op maandag. Maar vooral open-open om te laten zien dat hij in contact stond met de afdeling. Want hij zat zo zelfbewust achter de pc, dat het een circusact moest zijn. Dirkje, Dirkje. Ik had het wel in de gaten. Ik kon me nog goed herinneren hoe hij zich voorstelde aan de nieuwe callcenteragents zoals ik: Niet.

Hij schudde de hand, hoorde de naam van iedereen, maar weigerde zijn eigen naam te zeggen. Zo’n iemand die dacht dat zijn reputatie hem voor was. Dat zijn naam van oor tot oor ging, vlak voor hij de afdeling op kwam gelopen.

Pierre kwam er na drie maanden achter dat Dirk dus de manager was en daardoor de baas van de vloer. Dat had hij nooit achter hem gezocht. Hij vond het al zo apart dat hij als enige in een pak rondliep. Ik begreep het wel. Zijn deur stond altijd dicht, behalve op maandag. Dirk schitterde in afwezigheid. Als hij vier dagen dood in zijn kantoor zou zitten op zijn bureaustoel, zou niemand het merken. Echt niet.

Dirk had een pleziertje in zijn leven. Dat was Anja, zijn secretaresse. Niet dat ze ooit seks hadden gehad. Dat was onmogelijk. Dirk was zo’n manager die geen ballen had en dus geen testosteron in zijn lichaam. Maar Dirk had wat te bekijken elke dag. Ze was 24 jaar en de afdelingssecretaresse. Altijd zijden bloesjes en iets te korte rokjes met panty’s daaronder.

Elke dag droeg ze andere hakschoentjes. Ze studeerde in haar vrije tijd wijsbegeerte (echt waar).

Ik had een zwak voor haar schoonheid en intellect. Ik had een zwak voor haar benen en voeten. Ik had een zwak voor de woorden ‘de, het, een’. Ze sprak het zo fascinerend uit met zo’n Brabants accent.

In mijn pauzes stond ik graag aan haar bureau. Trots te vertellen over al die Psycho killer-feesten van vroeger. En dan zei ze elke keer weer: ‘Nodig me ook eens uit.’

Dirk had het ook in de gaten. Dat we beiden geilden op hetzelfde meisje. Dus zei hij via Marija dat ik haar niet meer mocht afleiden.

Ik vroeg nog aan Marija wat ik fout deed. Maar zij kon alleen maar met haar hoofd schudden en zeggen: ‘Dirk’s wegen zijn ondoorgrondelijk.’