Hoe kon ik dit volhouden. Ik ging me helemaal niet als een god voelen. De tijd vloog voorbij, maar hoe kon ik deze baan volhouden. Klanten helpen met administratieve wijzingen. Klachten noteren en doen alsof het me iets interesseerde.

Doen alsof het iemand wat boeide in dit bedrijf.

Hoe - kon - ik - dit - volhouden. Mijn teamleidster was Marija. Ze had weinig interesse in me. Des te meer in haar spiegel. Ik zag haar regelmatig aan haar bureau staren in haar spiegeltje. Triest voor een vrouw van veertig plus. Ze vroeg soms hoe het ging, maar weigerde naar het antwoord te luisteren.

Ze vond me te slim voor deze toko, waar ze waarschijnlijk mee bedoelde dat ze zichzelf veel te slim vond voor deze baan.

Maar een carrière hadden we niet voor het uitzoeken. Ik was overgeleverd aan de waanzin van anderen. Ik had niets voor het zeggen.

Ik deed mijn best, zoals alleen een callcenteragent met aspiraties zijn best kon doen. Ik werkte hard. Ik kwam op tijd aan. Ik vertrok als laatste. Ik leerde bedrijfsregels uit mijn hoofd. Ik deed alles om de klant tevreden te stellen. Maar hoe meer ik mijn best deed, hoe harder ik werd tegengewerkt.

Ik had wel tig ideeën om zaken beter te doen hier. Maar Marija wilde ze niet horen.

Ik werd tegengehouden. Door de onzichtbare krachten van een bedrijf. Ze waren overal. Elk goed idee was bestemd om te sneuvelen. Elk gebaar naar een betere wereld moest vernietigd worden. Alleen de sterksten konden overleven. Alleen de dapperen bleven volhouden en zagen ideeën werkelijkheid worden. ‘Kies je gevecht’, zei Gerard vaak. En dat koos ik. Het gevecht van niets doen.

Ik wandelde elke ochtend als een zombie de vloer op. Ik ging achter een willekeurig bureau zitten. Ik logde in. Ik deed mijn headset op. Ik sprak met klanten over hun problemen. Ik bedacht verbeteringen. Die schreef ik op een A4. Aan het einde van de dag leverde ik die in bij Marija.

Vervolgens trok ik mijn jas aan, wachtte gerust vijf minuten voordat de lift kwam om me een verdieping lager af te zetten op de begane grond. Dan ging ik op mijn fiets zitten. Dan zette ik een soundtrack op via mijn telefoon. Om thuis te komen en uitgeblust achter mijn tv plaats te nemen om te X-boxen.

Ik was zo’n zombie dat ik op een dag was vergeten dat flexplekken niet altijd flexplekken waren.

Flexen was iets vreemds. Het was een protocol om duidelijk te maken dat je als werknemer geen enkel bezit in een bedrijf mocht hebben. Ook geen tijdelijk bezit als een eigen kantoor of een eigen werkplek. Alles wat hier stond was van iedereen en dus van niemand. We waren nietig.

Dat betekende dat elke dag om 8 uur een soort van vreemde stoelendans begon. Want hoewel niemand vaste plek had, waren we gewoontedieren en gingen mensen elke dag op dezelfde plek zitten. Wat dus soort van indirect betekende dat je niet op een bepaalde plek mocht zitten…

Vooral de fossielen in dit bedrijf hadden hier last van. Dit waren werknemers die al meer dan dertig jaar in dit bedrijf zaten en om een of andere duistere redenen ooit waren wegbezuinigd en op het callcenter terecht waren gekomen. Mensen die uit een tijd kwamen dat flexwerken nog niet bestond.

Ik was een zombie in de ochtend.

Dus nam ik plaats op willekeurige plaatsen. En overkwam het me dat ik op een stoel ging zitten die speciaal op het lichaam was afgesteld van een fossiel met nekklachten. Ze schold me uit voor alles wat los en vastzat (in deze volgorde).

Ik zei nog met een kermende stem: ‘Flexplek toch?’

‘Je ziet me hier elke dag zitten toch of niet dan?’

Discussiëren met fossiele mensen was onnodig maar vooral onmogelijk. Dus koos ik het pad van de hazen en smeerde ‘m naar een andere flexplek.