Reve schreef in De Avonden dat de mens door drie dingen woest werd.

  1. Als je de krant aan het lezen bent en iemand tikt er hard tegenaan.
  2. Als je bij een afgrond staat en iemand pakt je onverwachts van achteren vast en doet net alsof ze je de afgrond in willen gooien.
  3. Een knietje van achteren in je knieholten krijgen.

Ik wilde daar graag een vierde punt aan toevoegen: De Cup-a-soep afschaffen voor heel het bedrijf.

GVD. Dit bedrijf had 50 miljoen euro winst per jaar. Waarom moest er bezuinigd worden op de soep? Het enige pleziertje in de middag. Het enige moment van ontspannen. Het enige moment dat ik geen cafeïne of theïne proefde. Soep was wat me erdoor heen sleepte. Het tussendoortje dat me in vrede en rust 17.00 uur liet halen. Wie had dit bedacht? Schande!

Er brak iets in me. Waren we dan werkelijk onbelangrijk en niets? Ging dan echt al het geld zitten in materiaal, kantoren en computersystemen? Was het investeren in personeel dan echt niets waard?

Moest nou echt de Cup-a-soep afgeschaft worden? Ik ging van woede naar berusting, terug naar pure depressie en opnieuw naar woede. Ik begon een petitie om de soep terug te krijgen. Alleen Pierre tekende het. Ik begon een e-mailactie en mailde alle managers. Niemand antwoordde. Ik zeurde tegen mijn teamleidster Marija, die dankzij haar sabbatical al haar ambities was kwijtgeraakt en schaapachtig gedrag vertoonde. Niets werkte. Niemand mocht me. Het leek niemand wat te boeien. Iedereen had het lot dat we werkelijk niets waren geaccepteerd. Barricaden, schoot door mijn hoofd. Barricaden. Op de barricaden.

Wat was er mis met de dode zielen? Waarom accepteerden zij alles maar. Natuurlijk begreep ik het. Schouders ophalen was de makkelijkste manier om te overleven. Je kind vermoord? Vrouw verkracht? Haal je schouders op, dat was veel beter. WTF. Wat een onzin. De Cup-a-soep! Come on mensen. Ik begon ze op te hitsen. Ik liep de deur plat bij Dirk. Ik zei zes dagen lang alleen maar tegen collega’s ‘die Cup a soup, man man man,’ met een diepe zucht.

Ik kon de massa niet in beweging zetten. Ze waren niet overtuigd van mijn gelijk. Ze kwamen elke dag op het werk om een salaris te verdienen, niet het verschil voor de klant of de andere medewerkers te maken. Niemand wilde een verschil maken. Daar ging deze maatschappij aan kapot. We keken toe.

Zoals die proef waarbij de gehele flat de kreten van de vrouw had gehoord, maar niemand in actie kwam om de politie te bellen. De volgende dag was ze dood. We waren schapen. Die hadden een leider nodig om ze te vertellen dat ze een individu waren in een collectief. Maar echte leiders kenden we niet. Ik wilde het zijn: niemand accepteerde mijn gezag.

Gelukkig was er Loes nog. Ze zag er mooi uit in het zwart. Haar blonde haren en witte colbert brachten me in vervoering. Loes, uit Geleen. Loes uit Brabant. Mijn prinsesje. Loes. Met je mooie borsten. Ik wilde met haar zoenen. Ik wilde haar plat neuken. Ik wilde haar likken. Ik wilde met haar stoeien. Ja, stoeien. Lekker stoeien. Loes. Kom. Stoei met me. Alsjeblieft. Stoei met me. Ja. Kom maar. Kom dan. Loes. Kom dan. Hey. Kom dan. Loes. KOM DAN. GVD. Kom DAN.

Loes was dan wel een bazig wijf, ze was het lekkerste wijf van de afdeling. En sinds Anja was ontslagen, focuste ik al mijn aandacht op haar. Ik liep drie weken fulltime met een stijve rond. Ik probeerde regelmatig met haar te praten, te mailen en te stoeien. Maar ze wilde me niet. Ze negeerde me best wel extreem. Ze zei nooit wat tegen mij.

Ik deed het voor Loes toen ik op een dag besloot geen enkel gesprek meer op te nemen. Ik deed het ook voor de klant. En een beetje voor het bedrijf. We werden als schapen behandeld. Dit kon niet langer meer. Ik tekende verzet aan. Ik ging staken. P e r d i r e c t. Het duurde exact 22 minuten toen de traffic aan mijn bureau stond en vroeg wat ik in helsnaam aan het doen was: ‘Staken.’

‘Waarom’, zei hij.

‘Zie je het dan niet? Al die ellende, honger en onrecht? Het begon met het ontslag van Barbara. Toen Anja. Die stomme kosten op de acceptgiro. Annie die ontslag nam. Lucas met zijn grote lul. En dan nu de Cup-a-soep. Waar zie je ons voor aan? Zijn we alleen maar goed om de getallen te laten kloppen zodat jullie die dikke vette bonus kunnen incasseren? Terwijl wij elk jaar die verschrikkelijk vieze kerststol van het uitzendbureau moeten vreten? Zie je dat dan niet? Ik eis respect. Ik wil de cup a soep terug. Per direct.’ Ik zou liegen dat ik zelf niet onder de indruk was van deze donderuitbarsting. De traffic zweeg. Hij bleef me aankijken met een blik dat alleen een NSB’er kon geven toen hij hoorde dat Hitler zelfmoord had gepleegd. Hij liep toen zwijgend weg.

Ik kreeg in ieder geval aandacht. Collega’s vonden het moedig dat ik weigerde te werken. Begrepen ze het dan niet? Domino-effect. 1989. Ze moesten allemaal stoppen met werken. Om een punt te maken. Een vuist. Vuistdiep. In Dirk’s reet.

Maar iedereen ging weer achter hun pc’s zitten met de headsets op om de klant te helpen. Ik was de enige die in protest bleef. De enige. En het ergste van allemaal. Het leek Loes niets te boeien dat ik opkwam voor de werkvloer. Ze kwam niet eens langs. Ze keek niet eens op. Ze stuurde me niet eens een e-mail.

Hommeles. Dirk aan mijn bureau. Wat ik aan het doen was. ‘Je moet blij zijn dat ik geen schijtstaking hou, Dirk.’ Hij beval me mee te komen naar zijn kantoor. Als dit voor hem het moment was om me te ontslaan, dan was het maar zo.

Hij zuchtte diep. Sloeg met zijn vuist op tafel en zei: ‘Kaarten op tafel. Wat wil je nou echt Charlie? Wat verwacht je van me? Dildo’s, stakingen. Wat wil je nou?’ Ik zuchtte diep. Ik sloeg met de vlakke hand op de tafel en zei met een zachte stem: ‘Het enige wat ik wil is de Cup-a-soup terug.’

‘Luister Charlie. Dat is door facilitaire zaken besloten. Dit is een beslissing van hogerhand. We hebben onze catering uitbesteed aan een nieuw bedrijf. Zij willen winst op de soep, wij willen het niet betalen. Begrijp je?’

‘Waar zie je me voor aan? Natuurlijk is niets gratis. Natuurlijk betaalt het bedrijf de soep. Als dankbaarheid voor onze inzet. Als benzine om ons weer op gang te helpen. Om ons te ondersteunen om de klant beter van dienst te zijn. Als moraaloppepper.’

‘Ik kan je geen soep geven. Iets anders?’

‘Nee.’

‘Ga alsjeblieft bellen. Oké? Genoeg met deze onzin.’

Onzin. Onzin? Hij moest blij zijn dat iemand nog iets voelde in dit bedrijf. Al die haat die klanten uitspuwden, maakte in ieder geval nog iemand scherp.

Voor ik er erg in had stak ik een middelvinger naar hem uit. Een giant middelvinger. Een minuut later was ik ontslagen.

Einde