De computer was mijn grootste vriend. Hij deed nooit wat ik verlangde, sloot uit zichzelf op de raarste momenten af en was het beste excuus om niet aan het werk te zijn als de traffic vroeg wat ik het afgelopen uur had uitgespookt of waarom ik 23 minuten te laat had ingelogd.

Ik hield van mijn computer. De intense traagheid van laden. Het intens gemopper van die dode zielen om me heen. De talloze excuses van ICT-medewerkers dat ze het ook niet konden verhelpen.

De computer was een organisme op zich. Het was koppig, deed waar het zelf zin in had, of je het nu lief of kwaadaardig behandelde, het had geen enkele boodschap aan de gebruiker. Wat een karakter. Hadden maar meer dode zielen zo’n uitgesproken mening van falen en weigeren.

We moesten weigeren, zoals de computer elke dag weigerde ons te helpen het werk goed uit te voeren. We moesten koppig worden. We moesten in opstand komen tegen de teamleider, de traffic en de manager.

We konden in opstand komen. Wij waren het bedrijf. Wij waren het geweten en het licht van de klant. Oh duisternis, zie ons schijnen. Wij zijn het collectief, dansend onder de maan op de beat van de man met percussie. Oh wij verenigen ons.

ICT verzon de mooiste trucjes om de gebreken te verbeteren. Maar elke verbetering was een achteruitgang. Hadden ze eindelijk het vijf minuten opstarten getackeld, begon de pc al na twee minuten te zeuren dat het geheugen vol zat, omdat ik Facebook, Gmail en de Telegraaf tegelijkertijd open had staan, samen met Outlook, de schil om de database heen, de database zelf en het e-mailprogramma met e-mails van klanten erin. Wat betekende dat ik geen enkel ander programma meer kon openen om de klant te helpen. Met de klant hijgend in mijn oor, bluffend een antwoord geven omdat de computer het me niet ging geven.

Ambities hadden de managers genoeg. Alleen de ICT-systemen veroorzaakten altijd een vertraging van minstens drie jaar. Vraag me niet hoe, ICT was het toilet van het bedrijf. U dacht dat de communicatieafdeling erg was. ICT was erger. Ik opperde eens om een maandelijkse boks-sessie tegen een willekeurige ICT-medewerker te organiseren. Gewoon er lekker tegen aan rammen. Samen.

Het loste uiteraard niets op. Het luchtte op. Dat was belangrijk. Ik belde de ICT-servicedesk graag.

Ik mopperde, ik zeurde, ik liefkoosde ze en gaf ze alle ruimte om het probleem op te lossen. Want elk moment pakte ik aan om niet te bellen.

Werkontwijkend gedrag was mijn motto en mijn levenskunst geworden. Ik kreeg het eens voor elkaar om de pc zo te laten vastlopen dat zelfs de ICT-servicedeskmedewerker het niet meer wist en zei:

‘Doe maar een uur niets en start dan je pc nog maar een keer op’. Er waren geen feiten: Dus maakte ik ervan dat ik 4 uur niets mocht doen. De traffic kwam 2,5 uur later naar me toe gelopen en vroeg wat ik aan het doen was en voegde de zin ‘we hebben je hard nodig aan de telefoon’ toe, om wat goodwill te kweken dat ik echt nodig was.

Ik was 2,5 uur niet nodig geweest, de resterende uren overleefden mijn collega’s ook wel zonder me.

Ik zei dat mijn pc het niet deed, vloekte uit beleefdheid wat en zuchtte ‘ja, die ICT-afdeling. Ongelooflijk’. Omdat de traffic het ook niet meer wist keerde hij terug naar zijn bureau.

En heb ik de resterende uren met de benen over elkaar, de handen in mijn nek NIETS gedaan. Tot het 17.00 uur was. Heerlijk.

Bestel nu

Het eerste Psycho killer boek: Vrouwen die Charlie haten. De paperback is verkrijgbaar via webshop Psycho killer

Vrouwen die Charlie haten is ook digitaal te bestellen (alleen via Paypal) voor 3 euro.



Mis niets. Ontvang het volgende verhaal direct in je mailbox