Ik ben een callcenter agent.

Ik ben onderbetaald en word door niemand gewaardeerd. Ik ben het uitschot van het bedrijf. Van de werkende mensen. Van de samenleving.

Ik word dagelijks omringd door mensen zonder carrière, studenten zonder studie, allochtonen die niet eens hun eigen naam kunnen opschrijven in het westerse alfabet en huismoeders zonder enig fucking gevoel voor humor.

Ik word dagelijks onderdrukt door gefrustreerde managers, krakende computersystemen, ambitieloze collega’s en onbegrijpelijke procedures.

Ik heb 99 redenen om jouw leven als klant tot een hel te maken. Maar hé, ik sta je in ieder geval te woord. Ik kan je ook gewoon in de wacht zetten, de hoorn neerleggen, of gewoon opnemen en niets van me laten horen.

Ik zit dagelijks met vijftig collega’s wachtrijen weg te werken, e-mails af te handelen en koffieautomaten leeg te drinken. Ik poep in mijn after call work en om 16.55 weiger ik de telefoon op te nemen om te voorkomen dat ik om 17.15 nog steeds zo’n fossiele bejaarde met een Windows 98-pc door de self service-pagina’s heen moet lozen.

Ik verdien een minimumloon en weet niet wat ik met mijn leven aan moet. Maar hé, niemand heeft me verteld dat ik tussen mijn geboorte en de dood de tijd van mijn leven moest hebben. Toch?

Toch?

TOCH?